skip to Main Content

DE SCHAT DIE GARCÍA MÁRQUEZ INSPIREERDE

(Een eerdere versie van deze recensie is gepubliceerd in het Antilliaans Dagblad van 4 juli 2026)

Het legendarische scheepswrak van het Spaanse galjoen San José dat bulkt van goud en zilver, en gelegen is in de diepe Caribische Zee tegenover Cartagena, spreekt tot de verbeelding. De inhoud van het wrak is miljoenen waard.

Dit fabelachtige scheepswrak inspireerde Gabriel García Márquez. In zijn magistrale roman Liefde ten tijde van cholera heeft de hoofdpersoon Florentino Ariza ‘een overweldigend verlangen de gezonken schat (van San José) te bergen opdat Fermina Daza’- zijn geliefde- ‘kan baden in een stortvloed van goud’.

De spectaculaire vondst van deze schat in 2015 was meteen wereldnieuws. Het was de Colombiaanse president Santos die dit nieuws bekend maakte, maar hij ging met de eer strijken. Het team van Roger Dooley die deze schat had gelokaliseerd, werd verzwegen. Met Het Fortuin van Neptunus (auteur: Julian Sancton; uitgever: Hollands Diep, 2026; ISBN 978-90-488-6749-3), een biografie van Roger Dooley, is deze omissie grandioos hersteld.

Cuba

Dooley is in 1944 in New Jersey geboren. Zijn moeder was een Cubaanse en zijn vader een Amerikaan. Het huwelijk van zijn ouders liep al na een paar jaar op de klippen. In Brooklyn groeide hij op met zijn broer Michael. Duiken dat was zijn grote liefde.

Als tiener emigreerde hij met zijn broer, zijn moeder en zijn stiefvader naar Cuba. Zijn moeder ging werken bij de boekhoudafdeling van Hotel Nacional in Havanna. Zijn stiefvader werd nachtmanager bij Havana Hilton.

In januari 1959 maakte hij de euforische beginperiode mee van de Cubaanse revolutie toen Fidel Castro kameraadschappelijk ging koken voor zijn strijdmakkers. Hij volgde een opleiding om straaljagerpiloot te worden van de MiG maar in de eindfase werd hij buitengesloten omdat hij in Amerika geboren was.

Toen zijn dertigste verjaardag naderde, werd hem aangeboden om lid te worden van de Communistische partij, maar dan moest hij een paar jaar suikerriet kappen op het platteland om zodoende zijn toewijding aan de regering te laten zien. Dooley weigerde want hij wou duiken, en niet suikerriet kappen.

In 1979 verhuisde hij naar Florida waar hij plaatsvervangend directeur werd van de vliegtuigmaatschappij American Airways Charter die chartervluchten uitvoerde tussen Cuba en Florida, maar toen hij in 1982 beticht werd dat hij het handelsembargo met Cuba had geschonden, vluchtte hij terug naar Cuba.

Cartagena

In Cuba in 1983 ging hij werken voor Carisub, een organisatie die als doel heeft om rijkdommen te bergen uit schepen die in Cubaanse wateren waren vergaan, en zodoende een financiële bijdrage te leveren aan de chronisch lege schatkist van Cuba.

Toen hij in juli 1984 voor zijn werk documenten aan het doornemen was in de Archivo General de Indias in Sevilla, kwam hij bij toeval brieven tegen die vanuit Cartagena de Indias verzonden waren door Gouverneur General José de Zúñiga naar de Spaanse Koning Philips de Vijfde om hem te informeren over drie schepen die op 8 juni 1708 verloren waren gegaan in de zeeslag bij Barú bij Cartagena tegen Engelse kapers. De schepen waren volgeladen met goud en zilver, en waren vanuit Portobelo (tegenwoordig in Panama) op weg om via Cartagena en Havana naar Spanje te gaan.

Van deze gezonken schepen was de San José de belangrijkste. Dooley nam zich voor om dat schip te zoeken. Het werd zijn levensdoel. Als een Don Quichote die op zoek was naar Dulcinea, bleef hij speuren naar het wrak van San José. Aangezien het schip in diepe wateren was gezonken, achtte hij de kans groot dat het wrak intact was gebleven, wat een unieke kans bood aan archeologen om een Spaans galjoen te bestuderen. Als hij dat scheepswrak kon vinden, dan was zijn reputatie als maritiem archeoloog gevestigd. Hij deed het dus voor de eer en niet zozeer voor het geld, zoals andere ordinaire schatgravers

Na een knetterende ruzie over de in zijn ogen voorgenomen barbaarse berging door Carisub van het Spaanse galjoen Nuestra Señora de las Mercedes dat op 13 maart 1698 was het gestrand op het ondiepe rif van Guanabo, diende hij zijn ontslag in. Voor zijn levensonderhoud dook hij met toeristen. Een schaars middel van bestaan. Bovendien was zijn huwelijk met Zulema, een fervente voorstander van Fidel Castro, gestrand, na zijn weigering om lid te worden van de Communistische partij. Er volgde een scheiding.

Zijn droom om de San José te vinden verdween steeds meer achter de horizon. In de wereld van schatgravers, waren het nu investeerders die die dienst uitmaakten. Zo was er een consortium van investeerders dat een duikboot had gehuurd om dit Spaanse galjoen te vinden. De investeerders beweerden dat ze het wrak van San José hadden gevonden maar dat kon niet geverifieerd worden want uit vrees dat bandidos met hun buit ervan doorgingen, weigerden ze de coördinaten van het scheepswrak bekend te maken. Hun bewering bleef in nevelen gehuld. To be or not tot be, zou Shakespeare zeggen.

Al met al was hij op Cuba op een dood spoor beland. Het aanbod om als klusjesman te gaan werken in Miami, nam hij daarom met beide handen aan.

Anticlimax

In Miami trouwde hij met de Colombiaanse Adriana González die zijn liefde deelde voor het opsporen van San José. Het opsporen van het wrak had heel wat voet in de aarde. De locatie van het schip moest vastgesteld worden. De financiering van de berging was een ander probleem. En de toestemming van de Colombiaanse regering voor de berging was noodzakelijk.

Via het netwerk van Adriana kon hij in contact komen met de toenmalige Colombiaanse president Santos en kreeg hij vergunning voor zijn zoektocht. Hij vond ook een investeerder die bereid was om zijn expeditie naar San José te financieren. Op basis van het onvermoeibaar sporen in archieven bepaalde hij het zoekgebied.

Op 26 november 2015 was het bingo. Wat de doorslag gaf was het dolfijn op de cascabel, de sierlijke metalen lus aan het uiteinde van het geschut. Het stijlkenmerk van Spaanse kanonnen uit het einde van de zestiende eeuw tot 1683, het jaar waarin de meester-kannonnengieter Enrique Haber uit Sevilla overleed.

Dertig jaar nadat hij bij toeval in de Archivo de las Indias in Sevilla brieven vond die de zeeslag bij Barú beschreven, vond Dooley het wrak van San José, maar het werd een diepe teleurstelling, een anticlimax. Zijn naam werd niet genoemd bij de bekendmaking van de vondst. Het ontbrak daarna aan financiële middelen om het wrak te bergen. Toen eenmaal het scheepswrak was gevonden, brak er tussen Spanje en Colombia een vinnig juridisch gevecht uit over de eigendomsrechten. Ook de inheemse bevolking van de Boliviaanse stad Potosí waar het zilver was gedolven, eiste zijn aandeel. Waarschijnlijk is een groot deel van de Zilvervloot die Piet Hein in 1628 op de Spanjaard veroverde, afkomstig uit Potosí.

De Colombiaanse president Santos vergeleek Dooley met de bejaarde visser Santiago in The Old Man and the Sea van Hemingway die na een dagenlange verwoede strijd met een reusachtige marlijn, tot de ontdekking kwam dat haaien zijn vangst hadden opgegeten.

Dooley was geen Don Quichote, maar inderdaad meer een Santiago.

© Copyright Walter Palm

Back To Top