Ad 1. Waar gaan de
gedichten in deze gedichtenbundel over? En waarom? Wat zijn
de belangrijkste thema’s en motieven?
Het eerste deel van de
bundel gaat over Curaçao, waar ik geboren en getogen ben. Ik
ben op Curaçao opgegroeid in een muzikale familie. Mijn
betovergrootvader Jan Gerard Palm was de stamvader van de
muzikale familie Palm. In mijn jeugd was ik vaak bij mijn
grootvader Jacobo Palm die ook musicus was. De muziek in
mijn jeugd heeft mij eerder geïnspireerd tot het gedicht
“Avondmuziek” dat in 1997 is gepubliceerd in de gelijknamige
gedichtenbundel. In “Sierlijke golven krullen van
plezier”staat het gedicht
“De muziek van mijn
betovergrootvader Jan Gerard Palm (1831-1906)” dat
opgedragen is aan mijn betovergrootvader.
Naast mijn grootvader Jacobo Palm was uit artistiek oogpunt
een ander belangrijk persoon in mijn jeugd de Curaçaose
schrijver Pierre Lauffer. Hij was een collega van mijn vader
en hij woonde bij ons in de buurt. We gingen vaak vliegers
oplaten en we reden in zijn fantastische auto (zijn auto had
een ijskast!) naar Sint Michielsbaai. Hij kon zo maar “uit
het niets”een gedicht schrijven. Hij heeft mij de kracht
geleerd van metaforen. Ook Pierre Lauffer eer ik met een
gedicht in “Sierlijke golven krullen van plezier”, namelijk
het gedicht “De poëzie van de Curacaose schrijver Pierre
Lauffer (1920-1981)”.
Pierre Lauffer sprak met mij vaak over het
slavernijverleden. Dat was in mijn jeugdjaren, ik spreek dan
over de jaren vijftig op Curaçao, absoluut taboe. Hij
schreef een prachtig gedicht over slavernij, namelijk
“Balada di Buchi Fil”. Natuurlijk mocht in het eerste deel
van "Sierlijke golven die krullen van plezier" dat over mijn
jeugdherinneringen op Curaçao gaat, geen gedichten ontbreken
over de slavernij. Er zijn twee gedichten in “Sierlijke
golven krullen van plezier” over slavernij, namelijk “De
driemaster met drie masten Liberté, Egalité en Fraternité”
en “Spoken van slaven”.
Wat mij daarnaast is bijgebleven van mijn jeugd op Curaçao
is de overweldigende natuur en meer i.h.b. de tropenzon.
Over de tropenzon zijn er verschillende gedichten in het
eerste deel, zoals het openingsgedicht “Koning Zon en de
zonnecollector”, “De rotsen”, “Winterzon versus tropenzon”,
“De Zonnekoning” en “De almachtige tropische zon”.
Het tweede deel van de
bundel gaat over Den Haag. Ik werk al bijna dertig jaar in
Den Haag, en de gedichten in dit deel van de bundel zijn
geïnspireerd op wat mij in Den Haag doet denken aan Curaçao.
Het openingsgedicht van het tweede deel heet “Het Jan Gerard
Palmconcert op 1 november 2008 in Diligentia”. Dit
pianorecital dat plaatsvond in het Haagse "Diligentia"-theater
was geheel gewijd aan pianocomposities van mijn
betovergrootvader Jan Gerard Palm. H.M. de Koningin heeft
dit concert vereerd met haar aanwezigheid. Den Haag heeft
meer zaken die te maken hebben met mijn geboorte-eiland. Er
is bijvoorbeeld “Madurodam”dat geschonken is aan Den Haag
door de Curacaose bankiersfamilie Maduro ter nagedachtenis
aan hun zoon George Maduro die in Dachau is overleden. Ook
aan Madurodam is een gedicht gewijd in het tweede deel van
deze bundel. In Den Haag stond ook “De Zwarte Madonna” van
de Curacaose architect Carel Weeber. Het gelijknamige
gedicht gaat over dit gebouw. Het gedicht “De Haagse markt”
beschrijft de markt in Den Haag met zijn lekkere Curacaose
hapjes. Den Haag is voor het Koninkrijk een belangrijke
stad. In Den Haag is het Statuut getekend, en hier vergadert
maandelijks de Rijksministerraad. In 2007 vond in Den
Haag de Koninkrijksspelen plaats, en dat is beschreven in
het gedicht “Koninkrijksspelen in Den Haag, juli 2007”. Maar
er is ook de prachtige bibliotheek in Den Haag die als enige
bibliotheek in Nederland een Collectie Antilliana heeft. Het
gedicht “De Collectie Antilliana van de Haagse
Bibliotheek”gaat over deze collectie.
Het derde deel van de
bundel heeft een universeel thema namelijk de dood, zoals
bekend staat de zwarte vlinder, symbool voor de dood.
Vraag 2. Wat
heeft u geïnspireerd om deze bundel te schrijven?
Mijn jeugd op Curaçao
(voor het eerste deel van de bundel), mijn verblijf in Den
Haag (voor het tweede deel van de bundel) en het naderen van
de dood met het verstrijken van de jaren (in het derde
deel).
Vraag
3. Zou u een dichter kunnen noemen die u heeft geïnspireerd
en waarom?
Pierre Lauffer die mij
heeft geïnspireerd met zijn metaforen en zijn thematiek
(slavernij, maar ook de natuur).
Vraag
4. Wanneer zou u iemand een goede dichter noemen?
En goede dichter is
iemand die mij bekoort met zijn indrukwekkende metaforen of
met de muzikaliteit in zijn gedichten. Zo is Federico Garcia
Lorca een van mijn favoriete dichters met prachtige
gedichten als het muzikale gedicht “Verde que te quiero
verde” dat een schat heeft aan metaforen.
Andere
favoriete dichters en gedichtenbundels van mij zijn: Paul
Verlaine “Romance sans paroles”, Pablo Neruda “Veinte poemas
de amor y una canción deseperada” en Charles Baudelaire “Les
fleurs du mal”.
Vraag
5. Kunt u iets noemenswaardig vertellen wat u overkomen is
bij het schrijven van de bundel?
Er is iets
eigenaardigs met het gedicht “Vijf uur ’s middags”.
Dit gedicht, dat oorspronkelijk "Mijn uur is geslagen" als
titel had, heb ik een jaar voor het overlijden van mijn
moeder gepubliceerd in het tijdschrift "Kristòf" (jrg.
XIII-2, juli 2005). Dit gedicht gaat over iemand die om vijf
uur ’s middags overlijdt. Een jaar na publicatie van dit
gedicht is mijn moeder precies om vijf uur ’s middags
overleden. Ook komt in het gedicht een figuur voor die in
een hagelwit pak in de bocht van de weg zit. Op het moment
dat mijn moeder overleed zag mijn zus in de bocht van de weg
een verpleegkundige (gekleed dus in een hagelwit pak) die op
weg was naar mijn moeder. "Vijf uur 's middags" was dus een
gedicht dat ik met een zeker voorgevoel geschreven heb.
Vraag 6. Zou u een
dichter kunnen noemen die u in uw leven heeft geïnspireerd?
Zie antwoord op nr. 3
Vraag
7. Wat is het verband tussen de drie delen van de bundel?
Je zou kunnen zeggen
dat het eerste deel (“Curaçao” dus) gaat over het verleden
namelijk mijn jeugd op Curaçao; het tweede deel namelijk
“Curaçao in het hart van Den Haag” over het heden en het
derde deel over de toekomst, namelijk de toekomstige dood.