|
DE BLAUWE ENGEL
Het was in een hotel. Een
hotel met een majestueuze, bijna pompeuze naam: “Hotel
Majestic”. In de ruime kamer van het chique hotel stond
naast het royale bed in dwingende volgorde opgesteld een
uitgebreid zitje en een levensgrote tv met een beeldbuis van
hier tot Tokio. De hotelkamer werd echter gedomineerd door
een raam dat hem ongegeneerd liet genieten van een
fascinerend panorama: het besneeuwde landschap van luguber
Transsylvanië in de schuchtere ochtendzon.
Het was de streek van
Dracula. De geur van knoflook en vers bloed hing volgens hem
in de lucht, of speelde zijn fantasie hem net als
gisterenavond weer parten? Ver na middernacht was hij toen
wakker geworden van een geluid waarvan hij dacht dat het het
meeste weg had van doodgravers die bezig waren om een
clandestien graf te delven voor onschuldige slachtoffers van
duistere, nachtelijke praktijken. Het was een schurend,
akelig geluid. Pas toen hij de moed verzameld had om uit
zijn bed te stappen en uit het raam naar buiten te kijken,
had hij ontdekt dat het reuze meeviel. Het waren
sneeuwruimers die bezig waren om de bevroren sneeuw van de
binnenplaats te schrapen.
Toen hij eenmaal ontdekt had
wat de oorzaak was van het ijzingwekkend schrapend geluid,
kon hij geen slaap vatten omdat het leek dat iemand aan zijn
hoteldeur stond te morrelen. De deur opendoen had hij niet
aangedurfd. Uit het raam gluren naar de sneeuwruimers was al
erg genoeg geweest.
Pas nu het ‘s-ochtends was,
had hij door dat telkens als de hoteldeur openging een
brutale windvlaag triomfantelijk en luidruchtig zijn entree
maakte in het vijfsterrenhotel, en deze gure wind kwam
uitgerekend op de deur van zijn hotelkamer met een rammelend
geluid tot stilstand. De ontdekking van het hoe en het
waarom van het nachtelijk tumult, de volgende ochtend, kon
zijn onbehaaglijk gevoel niet wegnemen.
In het nuchtere ochtendlicht
tekende zich een zacht glimlachje van zelfspot af op zijn
gelaat toen hij terugdacht aan al zijn waandenkbeelden van
de avond terug. Sneeuwruimers en de brutale wind had hij
gezien voor doodgravers en louche personen die aan zijn
hoteldeur stonden te morrelen.
Zijn glimlach verdween en
zijn gezicht verstrakte toen zij, voor hij iets kon zeggen,
pontificaal tegenover hem zat in haar kobaltblauw tenue. Hij
herkende haar in één oogopslag. Er was geen twijfel
mogelijk. Het was de blauwe engel. Zij was niet weggelopen
uit het levensgrote tv-scherm in zijn hotelkamer. Nee. Het
was zijn plaaggeest. Haar een beschermengel noemen zou
teveel eer zijn voor het koele wezen dat uit was op haar
geheime en onmogelijke missie.
Van tijd tot tijd dook zij op. Alleen hij kon haar zien of horen. Na zijn laatste
treurige liefde dook zij regelmatig op en geselde hem dan
met prangende vragen. Hij begon er nu genoeg van te krijgen.
Een psychiater had hem verteld dat het zijn geweten of een
waanbeeld was.
Een ding wist hij zeker. Dit
keer moest hij haar dusdanig afpoeieren, desnoods met
verzonnen en onzinnige antwoorden, dat zij hem voorgoed met
rust zou laten.
“Hoe is het? “, vroeg zij
bij wijze van introductie.
“Je ziet dat het heel goed
met me gaat. Ik ben nu inmiddels minister geworden en ik
maak verre reizen naar aangename oorden, waarbij ik helaas
gestoord wordt door onaangekondigd bezoek. Op audiëntie
komen heet dat trouwens als je wordt toegelaten tot een
minister. Je moet overigens toestemming vragen voor een
audiëntie”, sneerde hij.
“Dat vroeg ik niet”, zei ze
berispend.
Hij zag dat de wolken
begonnen te knabbelen aan de prille ochtendzon.
Met priemende ogen vuurde ze
haar volgende vraag af:
“Ik vroeg of je gelukkig
bent”.
De zon was nu achter de
wolken verdwenen. Hij voelde zich krimpen in deze
reusachtige kamer waar geen zicht op redding viel te
verwachten. Genadeloos was ze en dit keer voelde hij dat
ontsnappen uit haar onverbiddelijke klauwen niet zo
eenvoudig zou zijn.
“Wel”, zei hij aarzelend,
terwijl hij snel zijn weerstand hervond tegen de starende,
ijskoude ogen en de vragen die dwars door zijn ziel sneden.
Hij moest nu onverbiddelijk toeslaan om zich voorgoed te
bevrijden van deze hinderlijk indringende praatjes op de
vroege ochtend.
Gedecideerd ging hij verder:
“Ik heb het vinden van een vrouw maar opgegeven. Ik ben
volmaakt gelukkig met een lieve vriendin en een goed
getrokken pot thee”.
Van zoveel oprechtheid
had zij niet terug. Geen vraag stelde ze meer. Haar ijle
vorm kromp ineen en verdichtte zich tot een onschuldige
sneeuwvlok die door de warmte van zijn antwoord smolt tot
een traan. Hij kon zijn ogen niet geloven toen hij zag dat
de machtige Blauwe Engel met haar prangende vragen en
priemende ogen, verschrompeld was.
En toen begreep hij
het. Het was verdriet die op deze mooie dag in dit chique
hotel op waardige wijze afscheid was komen nemen.
© Copyright
Walter Palm
◄begin
|