Essay
Walter Palm:
“DE GOUDEN
EEUW VAN CURAÇAO”
Opgedragen aan mijn moeder Blanca Palm-Rojer
(1920-2006) die mij als kind vertelde over de Gouden
Eeuw van verschillende landen.
Dit essay is voor het eerst gepubliceerd op 14
december 2004, en daarna is het regelmatig
geactualiseerd en gereviseerd.
INLEIDING
Het moet medio 2003 geweest zijn dat ik de
ingeving kreeg dat de twintigste eeuw voor Curaçao
een Gouden Eeuw was. Het idee dat bij mij opkwam was
dat net als de zeventiende eeuw in Nederland, en de
zestiende eeuw in Spanje, ook Curaçao een Gouden
Eeuw heeft gekend, namelijk de twintigste eeuw. Een
Gouden Eeuw in de zin dat een periode van grote
welvaart, samenviel met een opmerkelijke bloei op
cultureel terrein. Het is dít idee dat mij
inspireerde tot het schrijven van dit essay.
Opmerkelijk is dat aan de vooravond van de
twintigste eeuw de tekenen voor een Gouden Eeuw op
mijn geboorte-eiland bepaald ongunstig waren. Aan
het einde van de negentiende eeuw maakte de
Curaçaose samenleving een diepe economische crisis
door. Op dit kurkdroge eiland waren de middelen van
bestaan totaal uitgeput. Landbouw was nooit een
adequate inkomstenbron. In de eerste helft van de
negentiende eeuw toen de revoluties in Zuid-Amerika,
meer in bijzonder in Venezuela, nog in volle gang
waren, vormde de wapenhandel nog een belangrijke
bron van inkomsten, maar rond de eeuwwisseling van
de negentiende naar de twintigste eeuw was de
politieke situatie gestabiliseerd, waardoor ook deze
bron van inkomsten opdroogde.
Tot overmaat van ramp trok op 23 september 1877
een verwoestende orkaan over het eiland, waardoor
tweehonderd mensen omkwamen en grote materiële
schade werd aangericht. Weggewaaide deuren werden
als brancard gebruikt om gewonden te vervoeren.
Tegen het einde van de negentiende eeuw was
Curaçao dan ook een volstrekt noodlijdende kolonie
waarbij het merendeel van de bevolking een miserabel
bestaan leidde met armoedige landbouw,
arbeidsintensieve hoedenvlechten en wat povere
activiteiten in de haven. De vroegere
slaveneigenaren, de Shons, hielden zich strikt aan
het “herengedragspatroon” wat betekende dat zij
leefden als "grand seigneurs" terwijl het
faillissement steeds op de loer lag. De andere kant
van de medaille was het “slavengedragspatroon”
waarbij de voormalige slaven, in tijden van
financiële nood, en die waren er talrijk, zich
wendden tot hun vroegere Shon voor hulp.
In “the hearts and the minds” van de bewoners van
mijn geboorte-eiland lag Venezuela in de negentiende
eeuw dichter bij Curaçao dan in de eeuw die daarop
zou volgen. Niet alleen de politieke
machtsverhoudingen op de Tierra Firma (het
vasteland) werden nauwkeurig in de gaten gehouden,
maar er waren ook sterke huwelijksbanden tussen
Curaçao en Venezuela. Soms vielen politiek en
huwelijk zelfs samen. Zo weet ik uit mijn eigen
familiegeschiedenis dat zowel een zoon als een
dochter van mijn betovergrootvader dr. Nicolaas
Rojer (1808-1888) getrouwd waren met kinderen van de
Venezolaanse generaal Sutherland die in ballingschap
woonden op Curaçao.
Op de drempel van de twintigste eeuw was
Nederland voor Curaçao verder weg dan ooit. Het
moederland beperkte zich tot het sturen van
meewarige opdrachten die hoofdschuddend en
schoorvoetend werden aanvaard op Curaçao. Zo werd
tot groot ongenoegen van de lokale bevolking en op
bevel van Nederland de Venezolaanse balling Guzmán
Blanco, die een protegé was van dr. Rojer, Curaçao
uitgezet. Althans een halfslachtige poging werd
daartoe ondernomen, waarop de generaal wist te
vluchten. Hij begon een opstand in Venezuela en werd
president van dit land. In 1881 werden door hem de
zogenaamde Antillenrechten uitgevaardigd die de
Curaçaose handel ernstig benadeelden.
De culturele oriëntatie van het eiland was in de
negentiende eeuw sterk gericht op Latijns Amerika.
Er werd geschreven in het Spaans, waarbij de
schrijvers vooral beïnvloed werden door Spaanse
auteurs als Gustavo Adolfo Bécquer. Zelfs titels van
muziekcomposities waren bijna altijd in het Spaans.
Het was
Jan
Gerard Palm
(1831-1906) die in de negentiende eeuw het fundament
legde voor de familie Palm als muziekfamilie. Drie
van zijn in de negentiende eeuw nog jeugdige
familieleden wijdde hij persoonlijk in, in alle
geheimen van de Curaçaose muziek. Deze drie
familieleden waren (1) zijn kleinzoon en mijn
grootvader Jacobo Palm (1887-1982), (2) Rudolf
Theodorus Palm (1880-1950), zoon van Jan Gerard’s
neef Willem Axson Palm, en (3) John A. Palm
(1885-1925), zoon van Jan Gerard’s neef Jan Gerard
Palm. Het waren deze drie familieleden en hun
nazaten die tesamen met Rudolf Boskaljon (1887-1970)
een belangrijk aandeel hadden in de opmerkelijke
muzikale bloei in de twintigste eeuw op Curaçao.
Ter ere van zowel het
175ste geboortejaar als het honderdste sterfjaar van
de stamvader van de Palmdynastie, vond op 1 november
2008 in aanwezigheid van Koningin Beatrix een
concert plaats dat geheel gewijd was aan de muziek
van Jan Gerard Palm.
Een andere gigant uit de
negentiende eeuw is Joseph Sickman Corsen
(1853-1911) die zowel dichter als musicus was. Zijn
bekende Papiamentstalige gedicht “Atardi”, die op 27
september 1905 werd gepubliceerd in het dagblad “La
Cruz”, hoort nog steeds tot de kroonjuwelen van de
Curaçaose literatuur. Minder bekend is dat hij
prachtige walsen heeft gecomponeerd. Zijn
achterkleinzoon Randal Corsen (1972- ) heeft in
december 2004 een mooie CD opgenomen, getiteld
“Corsen plays Corsen”, met 23 composities voor piano
solo van Joseph Sickman Corsen.
In de twintigste eeuw
hebben zich in de Curaçaose samenleving drie majeure
gebeurtenissen voorgedaan. Deze gebeurtenissen
hadden ook hun weerslag op de literatuur, en de
muziek.
De eerste majeure gebeurtenis was de vestiging
van de raffinaderij van de Shell waardoor Curaçao in
1915 abrupt veranderde van een agrarische in een
industriële samenleving. Doordat ook het onderwijs
werd overgenomen door de Fraters van Tilburg en de
Zusters van Roosendaal werd Nederland, niet alleen
in economisch oogpunt, maar ook in culturele zin het
oriëntatiepunt.
De vestiging van de raffinaderij had ingrijpende
gevolgen voor de tot dan toe agrarische samenleving.
Zo waren, om maar een voorbeeld te noemen, "industrial
skills" van een persoon belangrijker dan de afkomst.
De planterskaste zag met lede ogen aan hoe de
plattelandsbevolking het werk bij de industrie met
zijn vaste inkomsten verkoos boven het werk op de
plantage waar de oogst en dus ook de inkomsten
steeds afhankelijk waren van weersomstandigheden.
Met de komst van de raffinaderij werd de
afhankelijkheidsrelatie zoals die tot uitdrukking
kwam in het slavengedragspatroon doorbroken.
De sociologische breuk die in de Curaçaose
samenleving optrad met de vestiging van de
olieraffinaderij had zijn weerslag op de literatuur,
in die zin dat het leidde tot non-conformistisch
schrijfgedrag. Non-conformistische schrijvers als
Tip Marugg (1923-2006) en Boeli van Leeuwen
(1922-2007) schreven in literaire termen over
toenmalige taboes als rassenrelaties, en het
bovengenoemde heren- en slavengedragspatroon.
De vestiging van de raffinaderij op Curaçao
betekende op muzikaal gebied dat een instroom
plaatsvond van hoog opgeleide Shell employé’s die
behoefte hadden aan klassieke muzieklessen voor hun
kinderen. Bovendien kon onder deze Shell employé’s
geworven worden voor musici voor het Curaçaosch
Philharmonisch Orkest, waardoor dit orkest onder
leiding van de bovengenoemde Rudolf Boskaljon kon
floreren.
De tweede majeure gebeurtenis was de Tweede
Wereldoorlog waardoor er een gedwongen breuk
ontstond met Nederland. Afgesneden van het
moederland, ging Curaçao op zoek naar zijn eigen
wortels. In 1944 debuteerde de Curaçaose dichter
Pierre Lauffer (1920-1981) met de gedichtenbundel “Patria”.
Deze bundel was in tweeërlei opzichten opmerkelijk.
In de eerste plaats was de bundel geschreven in het
Papiaments terwijl het tot dan gangbaar was dat
gedichtenbundels geschreven werden in het Spaans.
Het tweede facet wat deze bundel zo interessant
maakt is zijn nationalistische toon. Het was een ode
aan het geboorte-eiland van de Curaçaose dichter.
Op muzikaal terrein vond een vergelijkbare
nationalistische beweging plaats. In hetzelfde jaar
dat “Patria” gepubliceerd werd, vond een
legendarisch concert plaats door het Curaçaosch
Philharmonisch Orkest waarbij uitsluitend
concertstukken van Curaçaose componisten ten gehore
werden gebracht. Het was het hervinden en
herdefiniëren van de eigen identiteit.
Uitgevoerd werden: “Fantasie” van J.G. Palm; “Trianon”,
Chaconne van Charles Maduro; “Le meilleur moment des
Amours” van J.S. Corsen; “Pourquoi vivre de
souvenirs” van Jules F. Blasini; “Prelude tot een
feest” van Ch. J. H. Engels; “Elly”-concertwals van
Rudolf Palm; “Symphonie Curaçao” van Rudolf
Boskaljon en de “Curaçaose Dans Suite”, eveneens van
Rudolf Boskaljon, maar geïnspireerd op een mazurka
van Jacobo Palm.
De derde majeure gebeurtenis is de sociale
opstand op Dertig Mei 1969. Ook deze gebeurtenis
liet zijn sporen achter met sociaal geëngageerde
literatuur. Er ontstond een stroom van
maatschappelijke geëngageerde schrijvers, zoals
Frank Martinus Arion (1936-).
Ter illustratie van deze opmerkelijke literaire
en muzikale bloei van Curaçao in de twintigste eeuw
zullen in dit essay in vogelvlucht drie
romanschrijvers (namelijk Boeli van Leeuwen, Tip
Marugg en Frank Martinus Arion), drie dichters
(Pierre Lauffer, Elis Juliana en Luis Daal) en drie
musici (Jacobo Palm, Albert Palm en Rudolf Boskaljon)
de revue passeren.
Dit essay gaat over de bloei die vooral op
muzikaal en literair terrein plaats vond. Ik hoop
dat dit essay anderen zal inspireren om te schrijven
over de culturele bloei die er eventueel op de
andere Antilliaanse eilanden of Aruba dan wel op
andere culturele terreinen op Curaçao, zoals
architectuur en beeldende kunst, plaats vond.
Overigens is het zeer wel mogelijk dat de culturele
bloei zich in Willemstad beperkte tot deze twee
terreinen, namelijk muziek en literatuur. Immers
elke culturele stad heeft zijn eigen cultureel
terrein waar het in uitblinkt. Bijvoorbeeld Parijs:
schilderkunst; Los Angeles: filmindustrie en Wenen:
klassieke muziek.
I. DE BLOEI VAN DE CURAÇAOSE LITERATUUR IN DE
TWINTIGSTE EEUW.
I.1 Drie Curaçaose romanschrijvers: Boeli van
Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion.
I.1.1 Boeli van Leeuwen.
Boeli van Leeuwen (schrijversnaam van dr. W.C.J.
van Leeuwen) is op 10 oktober 1922 op Curaçao
geboren, en op 28 november 2007 overleden. Zijn
vader was districtmeester op het platteland van
Curaçao, en het gezin woonde in landhuis Rust. De
jongensjaren van Boeli van Leeuwen op het platteland
waren van beslissende invloed op zijn oeuvre.
Hoofdfiguren in het werk van Boeli van Leeuwen
zijn veelal afstammelingen van Curaçaose planters
die gestold in het verleden van de negentiende eeuw,
hun weg niet meer kunnen vinden in de
geïndustrialiseerde samenleving waar zoals eerder
gesteld “industrial skills” zwaarder tellen voor het
verkrijgen van een baan dan afstamming. Het is geen
wonder dat de genealogie van de hoofdpersonen in Van
Leeuwen’s werk van uiterste importantie is. De
telgen uit de oude plantersfamilies ontlenen alleen
aan afstamming hun waardigheid.
Elke onzekerheid over afstamming zoals
bijvoorbeeld over de vraag of de officiële vader ook
de biologische vader is, wordt bij deze personages
een regelrecht drama. Als bijvoorbeeld in de met de
Vijverbergprijs bekroonde roman "De Rots der
struikeling" de hoofdpersoon Eddy Lejeune bevangen
wordt door twijfel over zijn afkomst, dan spreekt
zijn reactie voor zich: "Het merg in been leek te
bevriezen en het bloed stolde in mijn aderen".
Een ander fraai voorbeeld is Kai Medema, de
hoofdfiguur in "Een vreemdeling op aarde". Als hij
getuige is van het overspel van zijn moeder raakt
hij totaal in verwarring: "De hemel werd paars en
toen zwart. Hij sloot zijn ogen en viel omlaag: naar
de aarde en uit het Paradijs".
Naast afkomst heeft religie altijd een
belangrijke rol gespeeld in het leven en literaire
werk van Boeli van Leeuwen. Typerend voor hem is het
volgend voorval. Als jonge dichter ging ik in 1977
eens op bezoek bij Boeli van Leeuwen. Hij was
indertijd secretaris van het eilandgebied Curaçao en
wij hadden bij hem op kantoor afgesproken. Toen ik
met enige schroom zijn kamer betrad, zat de
eilandsecretaris in een imposant fauteuil. Tot mijn
verbazing lagen er op zijn bureau geen ambtelijke
stukken, maar prijkte er wel een lijvig boek van de
Nijmeegse theoloog Schillebeeckx!
Interessant is bij Boeli van Leeuwen de relatie
tussen geloof en samenleving, en dan meer in het
bijzonder de rol van de priester in dit geheel. In
“De eerste Adam” uit 1963 is de hoofdrol weggelegd
voor “Pater Edouard Joseph Marie Bodin de la
Rochelle, lid van de Sociëteit van Jezus”. Deze
priester is een hooggeleerd heerschap, een
onhandige, wereldvreemde figuur die door niemand
begrepen wordt. Het boek eindigt dat pater Bodin
getuige is van een dodelijke steekpartij in een
krottenwijk. Na dit drama blijft Pater Bodin “zijn
soutane rood van bloed, zijn schoenen bedekt met
kerosinebraaksel” versuft op de grond zitten.
Eindigt “De eerste Adam” met een totaal
gedesoriënteerde Pater Bodin in een krottenwijk, in
"Schilden van leem" uit 1985 woont de geestelijke
Jacob Cleveringa met maatschappelijk verworpenen:
een prostituee uit een bevriende Caribische
republiek, een gestoorde neger met een ijsmuts en
een Canadese piloot met vliegangst. De geestelijke
Jacob Cleveringa heeft zich met andere woorden niet
afgewend van de armoede zoals Pater Bodin, maar
leeft er middenin.
Een soortgelijke ontwikkeling is ook te zien in
het literaire oeuvre van Graham Greene. Vergelijk
maar de keiharde confrontatie tussen een priester en
een communistische politiefunctionaris in “The Power
and the Glory” uit 1940 met de verzoening van het
katholicisme en het communisme in “Monsignor Quixote”
uit 1982 waarin de hoofdpersoon Quixote, opnieuw een
priester, verzucht “Perhaps a true Communist is a
sort of priest”. Opvallend is overigens wel dat
terwijl Graham Greene zich in 1926 op
tweeëntwintigjarige leeftijd bekeerde tot het
Katholicisme, Boeli van Leeuwen steeds protestant is
gebleven.
In het latere werk van Boeli van Leeuwen gaat
onder invloed van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar
Gabriel García Márquez, het magisch realistisch
element een steeds belangrijkere rol spelen. Zo
eindigt "Schilden van leem" met de apocalyptische
verschijning van Marsmannetjes. In de daarop
volgende roman “Het teken van Jona” bereikt het
magisch realisme een hoogtepunt. Als in een
schilderij van de surrealistische schilder Salvador
Dalí versmelt de realiteit tot een bizarre droom,
een gruwelijke nachtmerrie.
Naast romans heeft Boeli van Leeuwen verhalen en
columns gepubliceerd. De verhalenbundel “De ruïne
van een kathedraal” bevat twaalf reisverhalen. De
verhalenbundel “De taal van de aarde” bevat vijf
“spirituele verhalen”. Een ervan is een ode aan
Gabriel García Márquez, maar het langste verhaal is
gereserveerd voor “De Man van Nazareth” en het is
opgedragen aan de Nijmeegse theoloog Schillebeeckx.
De columns die Boeli van Leeuwen in de periode
1988/1989 heeft gepubliceerd in de Curaçaose
Courant, zijn gebundeld in “Geniale Anarchie”.
Vooral dit boekwerk dat ondermeer gaat over een
overheid die “permanent naar de bliksem gaat” is
zeer in de smaak gevallen bij het lezerspubliek.
In 1983 kreeg Boeli van Leeuwen de Cola
Debrot-prijs voor literatuur. Vlak voor zijn dood,
ontving hij op 10 oktober 2007, op zijn 85-ste
verjaardag, van het Fonds voor de Letteren, een
prijs voor zijn gehele oeuvre. Verslag van dit
eerbetoon is te vinden in “Met liefde behandelen;
Hommage aan Boeli” (Uitgeverij in de Knipscheer;
ISBN 9789062655960).
I.1.2 Tip Marugg.
Tip Marugg (schrijversnaam van S.A. Marugg) is op
16 december 1923 op Curaçao geboren en op zaterdag
22 april 2006 overleden.
Hij debuteerde in december 1945 als dichter in
het door Chris Engels opgerichte en geredigeerde
tijdschrift “De Stoep”.
Tip Marugg, leidde naar verluidt, een
teruggetrokken bestaan. Het kluizenaarsbestaan van
de auteur wordt weerspiegeld in zijn werk: de
hoofdfiguren in zijn oeuvre zijn altijd eenzaam,
leven 's nachts en zijn vaak aan de drank. De
gedachte om zelfmoord te plegen cirkelt steeds als
een aasgier boven hun treurige hoofden.
De "gespleten samenleving" leidt in het werk van
deze Curaçaose auteur tot blanke hoofdfiguren die
volstrekt geïsoleerd leven in een overwegend door
negers bevolkt eiland.
In Marugg's bekende debuutroman
"Weekendpelgrimage" doolt de hoofdfiguur beneveld
door alcohol en verstrikt in eenzaamheid, doelloos
rond over het eiland. Het is zaterdagavond en de
wanhopige hoofdfiguur overweegt zelfmoord door zich
met zijn auto van het eiland in zee te storten maar
op het laatste moment ziet hij daarvan af. Een
dokter, met wie de verteller in het begin van de
avond gepraat heeft, zegt tegen een onbekende: "Onze
jonge vriend gaat zich van kant maken. Hij loopt
reeds lange tijd rond met vele raadsels in zijn
borst, maar nu is hij, vrij plotseling overigens,
tot het besef gekomen dat zijn diepste vrees geen
persoonlijke vrees is, maar de vrees van een groep,
de vrees van een eiland". De hoofdfiguur bevindt
zich figuurlijk gesproken zelf op een eiland, totaal
geïsoleerd van de rest. "Dit is een negereiland, hoe
je het ook bekijkt" en de blanke hoofdfiguur is op
dit negereiland een "outsider". Drank en zelfmoord
zijn de enige ontsnappingsmogelijkheden.
Zelfmoord overheerst ook in de roman "In de straten
van Tepalka", die overigens eerst als
gedichtenbundel is verschenen. De ik-verteller
bevindt zich in een ziekenhuis. Fantasieën en
dagdromen doorweven de werkelijkheid, zodat ze
onontwarbaar worden. Het enige dat vaststaat is dat
de hoofdfiguur wacht op de dood als een verlossing,
en zijn stervensproces waar mogelijk zal
bespoedigen.
Zijn andere bekende roman is: "De morgen loeit weer
aan". Deze roman was genomineerd voor de
AKO-literatuurprijs en is in 1989 bekroond met de
Cola Debrot-prijs. “De morgen loeit weer aan” is net
als “In de straten van Tepalka” eerst als
gedichtenbundel verschenen. In deze roman bevindt de
hoofdfiguur zich in het gezelschap van Koning
Alcohol en vier buitengewoon woeste honden die
elkaar niet verdragen. Een pistool is binnen
handbereik om op elk gewenst moment de hand aan
zichzelf te kunnen slaan. Het is nacht en "als de
morgen aanloeit" vliegen "in het ochtendblauw"
enkele vogels te pletter tegen een bergwand. De dood
als enige doeltreffende remedie tegen eenzaamheid en
de angst voor de naderende dag. In het
apocalyptische slot van het boek wordt het eiland en
heel Zuid-Amerika door Gods hand vernietigd. God
heeft zijn geduld verloren en maakt een definitief
einde aan de toestand van onrechtvaardigheid en
wreedheid. Water, wind en aardbevingen vagen mens en
dier weg. "Eens zal daaruit wellicht een nieuw
continent ontstaan".
In de werken van Tip Marugg is de nacht de enig
leefbare tijd. Alleen 's nachts vervalt de
kleurbarrière die overdag zo klemmend en dominant
aanwezig is. In "De morgen loeit weer aan" buigt de
nacht zich als een "heilige Caribische moeder" over
de hoofdfiguur. Het is alsof de meedogenloos felle
tropenzon niet alleen de dag onleefbaar heet maakt,
maar erger nog, schril de werkelijkheid van het
eenzame bestaan blootlegt.
De vrouw kan de eenzaamheid niet opheffen. De
contacten van de hoofdfiguur met vrouwen zijn
oppervlakkig en vluchtig, zoals Conchita in "De
straten van Tepalka". De fles is voor de hoofdfiguur
de beste vriend. Zo er al contacten bestaan met
vrouwen dan gaat de voorkeur uit naar gekleurde
vrouwen, zoals Irma-Luz in “De morgen loeit weer
aan”: "een vrouw met een zachte, mispelbruine huid”.
De hoofdfiguur, die blank is, probeert zijn
isolement te doorbreken door aansluiting te zoeken
bij het gekleurde bevolkingsdeel. Of anders gezegd,
de hoofdfiguren in het werk van Tip Marugg torsen de
loodzware last van drie eeuwen gesegmenteerd
samenleven en betalen de prijs die daarvoor staat
namelijk eenzaamheid.
Op 29 januari 2009 zijn verschenen "Tip Marugg: De
hemel is van korte duur. Verzameld Werk 1945-1995.
Samengesteld door Aart G. Broek en Wim Rutgers" en
"Petra Possel: Niemand is een eiland. Het leven van
Tip Marugg in gesprekken". In dit laatste werk wordt
(op pagina 113) onthuld dat de hoofdpersoon in "De
morgen loeit weer aan" in de eerste versie van deze
roman zelfmoord pleegt. Wat dus in de eindversie
eruit is gehaald, en vervangen door een
apocalyptisch slot.
I.1.3 Frank Martinus Arion.
Frank Martinus Arion (schrijversnaam van dr. F.E.
Martinus) is op 17 december 1936 op Curaçao geboren.
Is bij Boeli van Leeuwen de vrouw vooral moeder en
schakel in de genealogische opvolging, en is zij bij
Tip Marugg de enige brug van de blanke naar de
gekleurde bevolking, bij Frank Martinus Arion staat
de vrouw symbool voor emancipatie.
De bekendste roman van Frank Martinus Arion is
“Dubbelspel”, die in 1973 is verschenen.
"Dubbelspel" speelt zich af op Curaçao en gaat
ogenschijnlijk over een dominospel tussen vier
personen: Chamon Nicolaas (huisjesmelker en
afkomstig van een ander Antilliaans eiland Saba) en
Janchi Pau (scharrelaar) spelen tegen Boeboe Fiel
(taxichauffeur van beroep) en Manchi Sanantonio
(deurwaarder). Het is een dubbelspel want Chamon
heeft een relatie met Boeboe's vrouw Nora en Janchi
heeft een oog op Manchi's vrouw Solema. Het
dominospel eindigt in een nederlaag voor Boeboe en
Manchi. Een dubbele nederlaag zoals dat hoort bij
een dubbelspel: Boeboe ontdekt de heimelijke relatie
van zijn vrouw en komt in een handgemeen met Chamon
om het leven, en Manchi pleegt zelfmoord als Solema
hem verlaat voor Janchi Pau.
"Dubbelspel" is in de persoon van Nora een scherpe
beschrijving van de sociale realiteit op Curaçao.
Nora heeft steeds een acuut tekort aan liquide
middelen. Haar relatie met Chamon gebruikt ze om aan
extra inkomsten te komen. Zo kan haar zoon niet naar
school omdat ze geen geld heeft om nieuwe schoenen
voor hem te kopen. Als zij eindelijk het geld bij
elkaar heeft om die uitgave te doen, duikt er
plotseling een sociale verplichting op: zij moet
drank kopen voor de mensen die bij haar thuis naar
het dominospel komen kijken. Personifieert Nora de
sociale realiteit, Solema staat model voor de
politieke ideeën van de auteur en vertolkt de
politieke boodschap van "Dubbelspel". Zij verklaart
zich een voorstander van een maatschappij op
coöperatief socialistische grondslag.
In Nederland werd ter gelegenheid van de
landelijke leesbevorderingsactie "Nederland Leest"
tussen 20 oktober 2006 en 17 november 2006
"Dubbelspel" gratis verstrekt aan leden van openbare
bibliotheken. In 2011 is onder de
titel "Changá" een Papiamentstalige vertaling
verschenen van "Dubbelspel". De uitstekende
Papiamentstalige vertaling werd verzorgd door
Lucille Berry-Haseth.
In de daaropvolgende roman van Frank Martinus
Arion, namelijk "Afscheid van de Koningin", wordt de
politieke boodschap van “Dubbelspel” uitgevoerd en
dit keer opnieuw door een vrouw. Ene mevrouw Prior
brengt in Songo de politieke boodschap van
"Dubbelspel" in de praktijk en laat de bevolking
zien wat met coöperaties bereikt kan worden. Dat
leidt tot politieke spanningen in dat land en zij
pleegt een geslaagde aanslag op de president van dat
land.
In de roman "Nobele Wilden" die in 1979
verschijnt, plaatst Frank Martinus Arion de
politieke boodschap van "Dubbelspel" in het
politieke kader van de Meirevolutie van 1968 in
Parijs om die tenslotte te verbreden. Het boek
verhaalt de lotgevallen van Julien Bizet Constant
uit Martinique, die de gebeurtenissen in 1968 in
Parijs op intense wijze beleeft en op een bepaald
moment naar Lourdes vertrekt om daar als
vrijwilliger zieken te vervoeren. In Lourdes wordt
hij sterk beïnvloed door pater Père Maure, door de
gestoorde dichter Peyre Cardenal II en door de
communistische kroegbaas Joseph Varin. Het boek
besluit met de conclusie dat Lourdes vanwege de daar
aanwezige menselijke solidariteit model zou moeten
staan voor de wereld. De politieke boodschap van
"Dubbelspel" van een maatschappij op coöperatief
socialistische grondslag wordt in "Nobele Wilden"
verbreed tot het algemene verbroederingsprincipe dat
terug te vinden is in alle grote godsdiensten.
Beklimmen Père Maure en Julien in “Nobele Wilden”
de top van de Beout, in de roman “De laatste
vrijheid” die zestien jaar na “Nobele Wilden” in
1995 verschijnt, staat opnieuw een berg centraal.
Tegen de achtergrond van een smeulende vulkaan op
het denkbeeldige Caribische eiland Amber is er een
sluimerende verhouding tussen de op Curaçao geboren
Daryll Guenepou en de CIN-journaliste Joan Mikolai.
De vulkaan komt tot een uitbarsting, en ook de
verhouding tussen Daryll en Joan die eerst
onderhuids was, komt tot bloei.
De titel van de roman verwijst naar de keuze van de
mens om nee te zeggen, de laatste vrijheid. Ondanks
de dreigende vulkaanuitbarsting weigert Daryll om
het eiland te verlaten. Met verve verdedigt hij op
CIN zijn besluit om niet te evacueren: “We kunnen
sterven door bij de vulkaan te blijven. Maar we
sterven zeker als we bij hem weggaan”. Het
verleidelijke Amber is voor Daryll het “paradijs” op
aarde. Een paradijs dat hij gevonden heeft nadat hij
jarenlang revoluties achterna heeft gereisd. Hij was
in Suriname ten tijde van de onafhankelijkheid, hij
was op Cuba en hij was op Grenada ten tijde van
Maurice Bishop.
Ook Daryll’s vrouw Aideline maakt een keuze. Zij
weigert om huisvrouw te zijn, en zij kiest voor een
muzikale carrière in Amsterdam. In Amsterdam
schrijft zij een compositie over seksuele en
muzikale vrijheid. Daryll Guenepou maakt ook een
andere keuze. Hij doorbreekt het “macho”-patroon en
zorgt als een echte moeder voor de kinderen van hem
en van Aideline. In tegenstelling tot Aideline voelt
Joan zich wel aangetrokken tot het moederschap en
het huiselijke bestaan, en zij valt als een blok
voor Daryll.
Vijf jaar na de verhalenbundel “De eeuwige hond”
verschijnt in 2006 de vijfde roman van Frank
Martinus Arion, getiteld “De deserteurs”. Net als in
“Dubbelspel” spelen in deze roman vier mannen een
hoofdrol. Het kwartet is multicultureel van
samenstelling: Mohammed Sundiata is een islamitische
prins uit Mali die de slavernij is ontvlucht, Ho
Ping Wang is een Boeddhistische Chinese student,
John Trotman is een halfbloedzoon van een Caribische
slavin en Timothy Blincker is een blanke quakerszoon.
Net als in de roman “De laatste vrijheid” is
vrijheid het onderwerp van deze historische roman
die zich afspeelt tegen de achtergrond van de
Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd van 1776 tot
1780. Het centrale thema is de
Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776, waarin
mooie woorden gewijd worden aan gelijkheid en
vrijheid, maar de afschaffing van de slavernij
blijft in deze verklaring buiten beschouwing. Zolang
het Congres van de Onafhankelijke Staten zich niet
ondubbelzinnig uitspreekt tegen de slavernij,
weigert tegen dit viertal daarom om de strijd aan te
gaan tegen de Engelsen. Zij worden echter ontvoerd
door de radicaal-patriottistische “Zonen van de
Vrijheid” en gedwongen om te vechten tegen de
Engelsen, maar ze weten te deserteren, en al
discussiërend wordt net als in “Nobele Wilden”een
ideaal samenlevingsbeeld geconstrueerd dat gebaseerd
is op de grote wereldgodsdiensten.
In 2009 verscheen zijn essaybundel "Intimiteiten
van het schrijven" met essays over literatuur en de
taal, en de betekenis hiervan voor zijn
schrijfproces.
Frank Martinus Arion heeft in 1974 de Van der
Hoogt-prijs ontvangen voor zijn roman “Dubbelspel”.
Zeven-en-twintig jaar later, namelijk in 2001, kreeg
hij de Cola Debrot-prijs voor zijn gehele oeuvre.
I.2 Drie Curaçaose dichters: Pierre Lauffer,
Elis Juliana en Luis Daal.
I.2.1 Pierre Lauffer.
Pierre Antoine Lauffer is op 22 augustus 1920 op
Curaçao geboren en hij is op 14 juni 1981 op zijn
geboorte-eiland overleden.
Het bevorderen van het Papiaments was het
leitmotiv in het leven van Pierre Lauffer. Na Dertig
Mei werd hem gevraagd om het Papiaments te
onderwijzen op de middelbare school en op de
Pedagogische Academie. In 1970, een jaar na Dertig
Mei 1969, mocht hij als vijftigjarige les geven in
zijn geliefde moedertaal.
Hij zou in zijn leven drie gedichtenbundels
publiceren. Naast het eerder genoemde “Patria”
(1944) publiceerde hij in 1955 “Kumbu” en in 1964
“Kantika pa Bientu”.
Daarnaast publiceerde hij in zijn verhalenbundels
“Napa” (in 1961), “Raspá” (1962) en “Lagrima i
sonrisa” (1973) ook gedichten. Na 1970 als hij het
Papiaments mag onderwijzen, verschijnt van zijn hand
vooral jeugdlectuur (“Djogodó” in 1972; “Un dia
tabatin…” in 1975; “Mi buki di bestia” in 1981,
postuum; “Un skèr ta bai keiru” 1984, postuum),
publicaties over taalkunde (“Mi lenga” I 1970, II
1971; “Un selekshon di palabra i ekspreshon” I 1971,
II 1975; “Arte di palabra”, 1973) en ander meer
onderwijskundig getint werk (“Di nos” bloemlezing
papiamentu letterkunde 1971; “Sukuchi” 1974;
“Mangasina” 1974; “Zumbi, spiritu almasola” 1975;
“Mangusá” 1975).
Een paar jaar voor zijn dood publiceerde hij in
1979 acht gedichten in het blad “Kristòf” (V,1).
Deze gedichten worden beschouwd als zijn
afscheidsgroet. Hij is in deze gedichten de
tweemaster die nog één keer laat zien “ku ki poko
bientu nos por nabega” oftewel “met hoe weinig wind
we kunnen zeilen”.
Belangrijke themata in het werk van Pierre
Lauffer zijn: de natuurschoon van zijn kurkdroog
geboorte-eiland, zijn moedertaal het Papiaments en …
het slavenverleden.
Hij schreef eens de volgende regel: “Mi ta stima e
puña di mi ruman melankolia” oftewel (vrij vertaald)
“Ik hou van de schimpscheut van mijn broeder
Melancholie”. Vooral zijn gedichten in zijn derde
gedichtenbundel “Kantika pa bientu” waar deze
versregel aan ontleend is, zijn zwaarmoedig van
aard.
Pierre Lauffer woonde bij mij in de buurt. Op
zondagochtend gingen we vooral in de Vastentijd
samen vliegers oplaten, en raakten wij aan de praat.
Hij kon mij fascinerende verhalen vertellen uit de
slaventijd.
Een van zijn mooiste gedichten gaat over
slavernij. Het gedicht heet “Balada di Buchi Fil” en
het is in 1955 verschenen in de bundel “Kantika pa
Bientu”. Het gedicht gaat over een trotse slaaf die
bij het ochtendappèl weigert te buigen voor zijn
meester. De meester zint op wraak, zoekt een goed
moment om Buchi Fil een afranseling te geven, maar
is bevreesd voor de fysieke kracht van de slaaf. In
het gedicht wordt de slaaf tenslotte vermurwd als
zijn vrouw verkocht wordt.
Met dit gedicht was Pierre Lauffer zijn tijd ver
vooruit, want op school hoorde je in de jaren
vijftig en zestig amper wat over slavernij, maar het
leefde wel degelijk. Een van onze buren, Pascual
Ridderplaat had het monument ontworpen dat op 1 juli
1963, honderd jaar na de afschaffing van de
slavernij werd onthuld. De zoon van Pascual
Ridderplaat, namelijk Ced Ride, heeft “Balada di
Buchi Fil” later prachtig op muziek gezet. In die
muzikale vertolking van “Balada di Buchi Fil” komen
drie mensen samen uit de buurt waarin ik ben
opgegroeid: Pascual Ridderplaat, zijn zoon Ced Ride,
en Pierre Lauffer.
Pierre Lauffer kreeg pas vrij laat erkenning. In
1969, 25 jaar dus na zijn gedichtenbundel “Patria”,
kreeg hij de Cola Debrot-prijs voor literatuur.
Verbitterd merkte hij eens op dat hij zich voelt als
een schipbreukeling die de oceaan zwemmend heeft
overgestoken en in zicht van de kade een
reddingsboei krijgt toegeworpen.
I.2.2 Elis Juliana.
Elis Juliana is op 8 augustus 1927 op Curaçao
geboren.
Naast schrijver is Elis Juliana ook beeldend
kunstenaar. Hij is actief als beeldhouwer, schilder
en vooral miniaturist. Hij werkte nauw samen met
Paul Brenneker bij het optekenen van mondelinge
overleveringen, gebruiken uit het verdwijnende
verleden
Met de publicatie van zijn eerste gedichtenbundel
“Flor di datu” in 1956 verwierf hij zich bekendheid
en werd hij een geliefde volksdichter met een eigen
radioprogramma. Met veelvuldige optredens in het
kinderprogramma van TeleCuracao legde hij een solide
basis voor zijn populariteit als dichter. Was hij in
het eerste deel van zijn oeuvre vooral grappig, in
het tweede deel van zijn literaire carrière die
begon met de “Opi”-serie (I: 1979; II: 1980; III:
1983; IV: 1988) is hij maatschappijkritisch met een
ironische ondertoon.
Naast het eerder genoemde “Flor di datu” en de “Opi”-serie
publiceerde hij nog drie gedichtenbundels, namelijk
“Dama di anochi” (1959), “Canta clara” (z.j) en
“Kolokólo di mi wea” (1977).
Waar Pierre Lauffer zwaarmoedig is, is Elis
Juliana lichtvoetig. Oftewel met andere woorden,
waar de ruwe en rauwe realiteit van een kurkdroog
eiland met een slavenverleden Pierre Lauffer in
tranen doet uitbarsten, schatert Elis Juliana van
het lachen. Humor is leidraad in de gedichten van
Elis Juliana. Hij is hiermede een perfecte tegenpool
van Pierre Lauffer die vaak zwaarmoedige gedichten
schrijft. Bij Elis Juliana is het de humor die de
realiteit draaglijk maakt.
In 1977 werd hem de Cola Debrot-prijs toegekend
voor zijn literaire werk. Eerder was hem deze prijs
in 1973 uitgereikt voor de beeldende kunst.
I.2.3 Luis Daal.
Luis Daal is op 5 oktober 1919 op Curaçao
geboren en op 14 april 1997 in Den Haag overleden.
Luis Daal is zijn carrière begonnen als
journalist. Van 1947 tot 1950 was Daal op Curaçao
hoofdredacteur van het toen volledig in het Spaans
verschijnende dagblad “La Prensa”. Na een conflict
met zijn werkgever vertrok hij in 1950 naar Spanje
waar hij achttien jaar zou wonen. Van 1962 tot 1968
was hij verbonden aan de Universiteit van Madrid
waar hij colleges gaf in Neerlandistiek. In 1968
vestigde hij zich in Nederland. Van 1975 tot en met
1984 was hij hoofd van de afdeling Culturele Zaken
van het kabinet van de Gevolmachtigde Minister van
de Nederlandse Antillen
Luis Daal was een groot strijder voor het
Papiaments. Juist in de periode vóór Dertig Mei toen
het Nederlands dominant was op zijn geboorte-eiland
brak hij een lans voor het gebruik van het
Papiaments. Na Dertig Mei beijverde hij zich voor
het correct gebruik van het Papiaments door
ondermeer cursussen te geven aan journalisten van
Papiamentstalige bladen.
In Spanje publiceerde hij “Palabras Intimas” (in
1951) en “Estampas Españolas” (in 1952). In het
Papiaments publiceerde hij vier gedichtenbundels,
namelijk “Kosecha di maloa” (1963), “Ku awa na wowo”
(1971), “Sinfonia di speransa” (1975) en “Plenitut…un
soño su spiritu” (1995).
“Kosecha di maloa” schreef hij in 1960/1961 toen
hij na een jarenlange afwezigheid enkele maanden op
zijn geboorte-eiland vertoefde. De bundel bestaat
uit vier delen: Reís (Wortel), “Tronkón” (stam),
“Blachi” (blad) en “Flor” (bloem).
Zijn magnum opus “Sinfonia di speransa” is
doortrokken van de vier Aristotelische oerelementen,
namelijk aarde, water, lucht en vuur. “Sinfonia di
speransa” (“Symfonie van hoop”) bestaat naar
analogie van een muzikale symfonie uit vijf delen,
namelijk: Preludium, Adagio (“Mi so ku tera”
vertaald “Ik alleen met aarde”), Allegro (“Mi so ku
awa” vertaald “Ik alleen met water”), Scherzo (“Mi
so ku bjentu” vertaald “Ik alleen met de wind”) en
Finale (“Mi so ku lus” vertaald “Ik alleen met
licht”.)
Gaat in “La Divina Commedia” van Dante Alighieri
de dichter van de hel via de louteringsberg naar de
hemel, in “Sinfonia di Speransa” begint de dichter
bij de aarde, zuivert zich met water en neemt de
wind hem mee naar hogere regionen waar hij tenslotte
het licht ziet. Het is dus een spirituele reis van
de dichter naar het licht.
De invloed van de Spaanse mysticus Teresa van
Avila is duidelijk zichtbaar in “Sinfonia di
Speransa”. Centraal in het gedachtegoed van deze
Spaanse non staat de opgang van de ziel in vier
stadia, namelijk meditatie, gebed, extase en
trance/levitatie.
Als Pierre Lauffer de Koning is van de
melancholie en Elis Juliana de Tsaar van de ironie,
dan is Luis Daal, de Paus van de metafoor.
In 1984 kreeg Luis Daal de “Chapi di Plata” van
de Fundashon Pierre Lauffer.
II. DE BLOEI VAN KLASSIEKE CURAÇAOSE MUZIEK IN DE
TWINTIGSTE EEUW.
Drie Curaçaose musici:
Jacobo Palm, Albert Palm en Rudolf Boskaljon.
II. 1 Jacobo Palm.
Jacobo Palm is op 28 november
1887 op Curaçao geboren en hij is op 1 juli 1982 op
zijn geboorte-eiland overleden.
Hij kreeg zijn eerste muzikaal onderricht van zijn
grootvader Jan Gerard Palm (1831-1906), de stamvader
van de muzikale Palmdynastie.
Jacobo Palm was in de eerste plaats componist. In
zijn composities klinkt duidelijk de invloed door
van zijn favoriete componisten Frédéric Chopin en
Franz Schubert. Zijn composities zijn juweeltjes van
elegantie rijk gedecoreerd met fonkelende melodische
parels.
Jacobo Palm stond bekend als de walsenkoning van
Curaçao. Van zijn 66 composities die opgenomen zijn
in de in 1980 verschenen “Obras Completas de Jacobo
Palm”, 34 een wals.
Bekende walsen van Jacobo Palm zijn “Un recuerdo”
(driedelige wals met introductie), “Doce de Mayo”
(driedelige wals), “Primero de Octubre”(driedelige
wals), “Adiós Querida” (tweedelige wals), “La
tristeza de la soledad” (tweedelige wals) en
”Corazón en la mano” (tweedelige wals.)
Twee bekende mazurka’s van hem zijn “Morning
Greetings” en “Que linda”. “Ecos del Alma” en
“Inocencia” zijn twee van zijn prominente pasillo’s
(dat zijn veredelde Curaçaose walsen waarop niet
gedanst maar vooral naar geluisterd wordt.)
De composities van Jacobo Palm worden tot op heden
uitgevoerd, zoals tijdens de “Palmiana-concerten” in
de Fortkerk op Curaçao.
Naast componist was Jacobo Palm een meervoudige
instrumentalist. Hij speelde piano, orgel, viool en
fluit. In het Curaçaosch Philharmonisch Orkest was
hij concertmeester.
Als uitvoerend musicus stond Jacobo Palm op
internationaal niveau. Hij kende de wereldberoemde
pianist Arhur Rubinstein persoonlijk en die kwam ook
bij hem thuis. Hij had ook kritiek op de aanslag,
het toucher van het pianospel van zijn vriend. Zijn
aanslag zou te zwaar zijn, volgens mijn grootvader.
Een anekdote wil ik u in dit verband niet onthouden.
Mijn grootvader had de gewoonte om vanuit zijn tuin
commentaar te roepen als iemand bij hem in de
huiskamer piano speelde. Zo riep hij een keer vanuit
de tuin naar degene die piano speelde dat die
muziekpassage zachter gespeeld moest worden. Pas
toen hij de woonkamer betrad bemerkte hij dat de
fameuze pianist Arthur Rubinstein aan de piano zat!
Toen een Curaçaose student die in Nederland
studeerde op bezoek kwam bij mijn grootvader en hem
vol trots vertelde dat hij in Nederland een concert
had bijgewoond van de Ricardo Odnoposoff wees mijn
grootvader hem op een stoel in zijn huiskamer. Op
die stoel had de beroemde violist bij mijn
grootvader thuis gezeten!
Jacobo Palm was naast componist en uitvoerend
musicus ook muziekpedagoog. Twee van zijn bekendste
leerlingen zijn Wim Statius Muller (*1930) en Robert
Rojer (*1939) die beiden zowel pianist als componist
zijn.
In 1981 kreeg Jacobo Palm de Cola Debrot-prijs voor
muziek.
II.2 Albert Palm.
Albert Palm is op 5 januari 1903 op Curaçao
geboren, en hij is op 10 juli 1958 op zijn
geboorte-eiland overleden.
Van zijn vader Rudolf Palm die een pupil was van
Jan Gerard Palm, kreeg hij zijn eerste muzikale
onderricht. Later nam hij cellolessen bij Paul de
Lima.
Albert Palm was een multi-instrumentalist. In het
“Curaçaosch Philharmonisch Orkest” speelde hij
contrabas, en daarnaast was hij cellist bij het
huisorkest van de Shell. Bovendien was hij organist
voor de Joodse gemeente en pianist in het
salonorkest van zijn vader.
Bij voorkeur componeerde hij makkelijk in het
gehoor liggende tweedelige walsen, maar hij schreef
ook driedelige walsen als “Griselda”, “Broeder John”
en “Otrobanda”.
Zijn plotselinge muzikale ingevingen noteerde hij
met wat er voor handen was. Zo zou hij de Shell waar
hij werkzaam was, composities hebben geschreven op
ponsblaadjes. Naar overlevering zou hij zijn bekende
tweedelige wals “Para qué amar?” geschreven hebben
op een servetje tijdens een banket in de
vrijmetselaarsloge “Igualdad”.
Zijn populairste compositie was “Aura” wat ook
wel het tweede volkslied van Curaçao wordt genoemd,
omdat het zo ontelbaar vaak gespeeld wordt. “Aura”
is een tweedelige wals dat opgedragen is aan Aura
Ayibe.
Twee van zijn bekendste leerlingen, zijn de
meervoudige tumba-koning Boy Dap en zijn zoon Nils
Palm.
II.3 Rudolf Boskaljon.
Rudolf Boskaljon is op 28 maart 1887 op Curaçao
geboren en hij is op 1 januari 1970 op zijn
geboorte-eiland overleden.
Hij kreeg zijn muzikaal onderricht van zijn vader
Johannes Petrus Boskaljon (1863-1936) die ook
componist en dirigent was. Het gehele milieu van
Rudolf Boskaljon was artistiek. Zijn vrouw Graciela
Boskaljon-Ecker en zijn schoonzus Amelie Ecker waren
ook componisten. Bekend van Graciela Boskaljon-Ecker
is de prachtige wals "Madeline" (geschreven voor
haar kleindochter Madeline Statius van Eps-Diaz).
Zijn dochter Lucila Engels-Boskaljon (1920-1993) was
een expressionistische schilder. Zij exposeerde in
het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Rudolf Boskaljon was in de eerste plaats dirigent.
Op 12 januari 1912 richtte hij op 24-jarige leeftijd
het eerste Curaçaosch Philharmonisch Orkest op. Dit
orkest bleef vijf jaar bestaan. In 1939 richtte hij
het tweede Curaçaosch Philharmonisch Orkest op en
hij leidde 25 jaar dit orkest dat zijn levenswerk
werd.
In zijn 25-jarig bestaan gaf het tweede Curaçaosch
Philharmonisch Orkest ruim honderd concerten. Het
repertoire bestond ondermeer uit Bach, Beethoven,
Grieg, Mozart, Mendelsohn, Schubert en Schumann.
Naast dit voor orkesten klassiek repertoire werden
ook orkestwerken van Antilliaanse componisten
uitgevoerd wat het Curaçaosch Philharmonisch Orkest
bijzonder maakt.
Dat een dergelijk Philharmonisch Orkest tot stand
kon komen was een huzarenstuk. Het inwonersaantal
van het eiland Curaçao van indertijd amper 100.000
inwoners was en is te klein om een Philharmonisch
orkest tot stand te brengen. Voor een Philharmonisch
orkest heeft een stad minimaal enkele half miljoen
inwoners nodig om genoeg musici, zowel in kwaliteit
als in instrumentbeheersing, te kunnen rekruteren.
Op Curaçao werd dit probleem ondervangen doordat
veel van de instrumentalisten veelzijdig waren kwam
daarbij goed van pas. Als de partituur bijvoorbeeld
voorzag in een harppassage en er was geen harpist op
het eiland, dan leerde iemand zichzelf harp spelen.
In muziekland was het een beetje Robinson Crusoë.
Boskaljon speelde zélf diverse muziekinstrumenten.
Hij beheerste zowel blaas- als strijkinstrumenten!
Hij leerde zichzelf ondermeer cornet, fagot,
klarinet, cello en contrabas spelen.
Het werk van dit Philharmonisch Orkest werd afgezien
van de schaalgrootte, aanzienlijk bemoeilijkt omdat
er géén muziekuitgeverijen op Curaçao waren in de
eerste helft van de twintigste eeuw. In de
negentiende eeuw had de van origine uit Spanje
afkomstige Agustin Bethencourt in 1867 een
boekhandel opgericht, welke onder de naam
“Bethencourt e hijos” bekend werd. In 1868 breidde
hij deze zaak uit met de handel in muziekstukken en
muziekinstrumenten, terwijl in 1880 er tevens een
drukkerij aan werd verbonden, waar ook muziek werd
gedrukt. Begin twintigste eeuw hield de
muziekdrukkerij op te bestaan. Dit lot was ook
“Tipografia Excelsior Curaçao” beschoren waar
diverse werken van Curaçaose componisten gedrukt
werden, zoals “18 de febrero” van Jan Gerard Palm.
Rudolf Boskaljon onderving het probleem van het
ontbreken van muziekuitgeverijen door partituren
voor de concerten van het Curaçaosch Philharmonisch
Orkest met de hand over te schrijven! Dat hij als
gevolg van dit monnikenwerk de composities
uitstekend memoriseerde, was mooi meegenomen.
In de tweede plaats was Rudolf Boskaljon componist.
Hij componeerde symfonische werken waaronder de
“Curaçao symfonie” met thematisch materiaal ontleend
aan Curaçaose volkslieden, en de “Curaçaose Dans
Suite” met een bewerking van de mazurka “Morning
Greetings” van Jacobo Palm.
SLOT
Voor personen die zich verder willen verdiepen in de
Curaçaose literatuur, en ik hoop dat dit essay
daartoe uitnodigt, zijn de volgende naslagwerken
aanbevelingswaardig.
Voor de drie romanschrijvers zijn dat "Drie
Curacaosche Schrijvers in veelvoud: Boeli van
Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion"
(Zutphen, Walburg Pers, 1991) onder redactie van
Maritza Coomans-Eustatia, Wim Rutgers en Henny E.
Coomans; “Beneden en boven de wind” van dr. Wim
Rutgers die in 1996 is verschenen bij “De Bezige
Bij” (ISBN 90 234 3530 3 CIP); "Antilliaans literair
logboek" van B. Jos de Roo verschenen bij de Walburg
Pers in 1980 en "Met eigen stem" door Pim Heuvel en
Freek van Wel, verschenen in Assen/Maastricht bij
Van Gorcum in 1989.
Specifiek voor Pierre Lauffer, Elis Juliana en Luis
Daal is veel werk opgenomen in de in februari 1999
door de Fundashon Pierre Lauffer in Nederland
gepresenteerde driedelige anthologie van de
Papiamentstalige literatuur, getiteld “Pa saka kara”
(deel 1: ISBN 99904-0-266-3; ISBN 99904-0-270-1;
deel 2: ISBN 99904-0-267-1; 99904-0-271-X; deel 3:
ISBN 99904-0-268-X; 99904-0-272-8). Nederlandse
vertalingen van het werk van deze twee auteurs zijn
te vinden in deel II van “De kleur van mijn eiland”
(redactie Aart G. Broek, Sidney M. Joubert en
Lucille Berry-Haseth; ISBN 9067182753; 2006,
Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en
Volkenkunde in Leiden).
“Na
ora oradu/ Te juister stonde” (ISBN 90 70086 131,
Uitgeverij In de Knipscheer) bevat vertalingen van
gedichten van Luis Daal door Fred de Haas.
Voor wat betreft de klassieke Curaçaose muziek
kan verwezen worden naar drie uitgaven, namelijk:
Boskaljon, “Honderd jaar muziekleven”; Edgar Palm:
“Muziek en musici van de Nederlandse Antillen” en
"Jan Gerard Palm; leven en werk van een muzikale
patriarch op Curaçao" (ISBN 978 9067183338) van
Johannes Halman en Robert Rojer.
Ik zou eenieder een bezoek aanbevelen aan de
Collectie Antillana van de Haagse Bibliotheek waar
veel van bovengenoemd werk ter inzage ligt.
Ook adviseer ik belangstellenden om de website
http://www.caraibischeletteren.com/
te bezoeken waar veel informatie is te vinden over
Nederlandstalige Caribische schrijvers.
In het voorafgaande heb ik een schets gegeven van
de bloeiperiode van zowel de literatuur als de
klassieke Curaçaose muziek de twintigste eeuw.
Slechts weinig plaatsen die qua schaalgrootte
vergelijkbaar zijn met Curaçao kunnen bogen op een
dergelijke muzikale en literaire rijkdom. Laten wij
deze prachtige erfenis dan ook in ere houden.
© Copyright Walter Palm
◄begin |