home  
 
  nieuwe bundel
   
 

biografie

 
  gedichten
 
  interview
 
  publicaties
 
  essay
 
  toneel
 
  verhalen
 
  contact
 












 

Walter Palm, een schrijver uit Curaçao

nederlands

papiaments engels

 

   
Essay

Walter Palm:
“DE GOUDEN EEUW VAN CURAÇAO”
Opgedragen aan mijn moeder Blanca Palm-Rojer (1920-2006) die mij als kind vertelde over de Gouden Eeuw van verschillende landen.

Dit essay is voor het eerst gepubliceerd op 14 december 2004, en daarna is het regelmatig geactualiseerd en gereviseerd.


INLEIDING

Het moet medio 2003 geweest zijn dat ik de ingeving kreeg dat de twintigste eeuw voor Curaçao een Gouden Eeuw was. Het idee dat bij mij opkwam was dat net als de zeventiende eeuw in Nederland, en de zestiende eeuw in Spanje, ook Curaçao een Gouden Eeuw heeft gekend, namelijk de twintigste eeuw. Een Gouden Eeuw in de zin dat een periode van grote welvaart, samenviel met een opmerkelijke bloei op cultureel terrein. Het is dít idee dat mij inspireerde tot het schrijven van dit essay.  

Opmerkelijk is dat aan de vooravond van de twintigste eeuw de tekenen voor een Gouden Eeuw op mijn geboorte-eiland bepaald ongunstig waren. Aan het einde van de negentiende eeuw maakte de Curaçaose samenleving een diepe economische crisis door. Op dit kurkdroge eiland waren de middelen van bestaan totaal uitgeput. Landbouw was nooit een adequate inkomstenbron. In de eerste helft van de negentiende eeuw toen de revoluties in Zuid-Amerika, meer in bijzonder in Venezuela, nog in volle gang waren, vormde de wapenhandel nog een belangrijke bron van inkomsten, maar rond de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw was de politieke situatie gestabiliseerd, waardoor ook deze bron van inkomsten opdroogde.

Tot overmaat van ramp trok op 23 september 1877 een verwoestende orkaan over het eiland, waardoor tweehonderd mensen omkwamen en grote materiële schade werd aangericht. Weggewaaide deuren werden als brancard gebruikt om gewonden te vervoeren.

Tegen het einde van de negentiende eeuw was Curaçao dan ook een volstrekt noodlijdende kolonie waarbij het merendeel van de bevolking een miserabel bestaan leidde met armoedige landbouw, arbeidsintensieve hoedenvlechten en wat povere activiteiten in de haven. De vroegere slaveneigenaren, de Shons, hielden zich strikt aan het “herengedragspatroon” wat betekende dat zij leefden als "grand seigneurs" terwijl het faillissement steeds op de loer lag. De andere kant van de medaille was het “slavengedragspatroon” waarbij de voormalige slaven, in tijden van financiële nood, en die waren er talrijk, zich wendden tot hun vroegere Shon voor hulp.

In “the hearts and the minds” van de bewoners van mijn geboorte-eiland lag Venezuela in de negentiende eeuw dichter bij Curaçao dan in de eeuw die daarop zou volgen. Niet alleen de politieke machtsverhoudingen op de Tierra Firma (het vasteland) werden nauwkeurig in de gaten gehouden, maar er waren ook sterke huwelijksbanden tussen Curaçao en Venezuela. Soms vielen politiek en huwelijk zelfs samen. Zo weet ik uit mijn eigen familiegeschiedenis dat zowel een zoon als een dochter van mijn betovergrootvader dr. Nicolaas Rojer (1808-1888) getrouwd waren met kinderen van de Venezolaanse generaal Sutherland die in ballingschap woonden op Curaçao.

Op de drempel van de twintigste eeuw was Nederland voor Curaçao verder weg dan ooit. Het moederland beperkte zich tot het sturen van meewarige opdrachten die hoofdschuddend en schoorvoetend werden aanvaard op Curaçao. Zo werd tot groot ongenoegen van de lokale bevolking en op bevel van Nederland de Venezolaanse balling Guzmán Blanco, die een protegé was van dr. Rojer, Curaçao uitgezet. Althans een halfslachtige poging werd daartoe ondernomen, waarop de generaal wist te vluchten. Hij begon een opstand in Venezuela en werd president van dit land. In 1881 werden door hem de zogenaamde Antillenrechten uitgevaardigd die de Curaçaose handel ernstig benadeelden.

De culturele oriëntatie van het eiland was in de negentiende eeuw sterk gericht op Latijns Amerika. Er werd geschreven in het Spaans, waarbij de schrijvers vooral beïnvloed werden door Spaanse auteurs als Gustavo Adolfo Bécquer. Zelfs titels van muziekcomposities waren bijna altijd in het Spaans.

Het was Jan Gerard Palm (1831-1906) die in de negentiende eeuw het fundament legde voor de familie Palm als muziekfamilie. Drie van zijn in de negentiende eeuw nog jeugdige familieleden wijdde hij persoonlijk in, in alle geheimen van de Curaçaose muziek. Deze drie familieleden waren (1) zijn kleinzoon en mijn grootvader Jacobo Palm (1887-1982), (2) Rudolf Theodorus Palm (1880-1950), zoon van Jan Gerard’s neef Willem Axson Palm, en (3) John A. Palm (1885-1925), zoon van Jan Gerard’s neef Jan Gerard Palm. Het waren deze drie familieleden en hun nazaten die tesamen met Rudolf Boskaljon (1887-1970) een belangrijk aandeel hadden in de opmerkelijke muzikale bloei in de twintigste eeuw op Curaçao.

Ter ere van zowel het 175ste geboortejaar als het honderdste sterfjaar van de stamvader van de Palmdynastie, vond op 1 november 2008 in aanwezigheid van Koningin Beatrix een concert plaats dat geheel gewijd was aan de muziek van Jan Gerard Palm.

Een andere gigant uit de negentiende eeuw is Joseph Sickman Corsen (1853-1911) die zowel dichter als musicus was. Zijn bekende Papiamentstalige gedicht “Atardi”, die op 27 september 1905 werd gepubliceerd in het dagblad “La Cruz”, hoort nog steeds tot de kroonjuwelen van de Curaçaose literatuur. Minder bekend is dat hij prachtige walsen heeft gecomponeerd. Zijn achterkleinzoon Randal Corsen (1972- ) heeft in december 2004 een mooie CD opgenomen, getiteld “Corsen plays Corsen”, met 23 composities voor piano solo van Joseph Sickman Corsen.

In de twintigste eeuw hebben zich in de Curaçaose samenleving drie majeure gebeurtenissen voorgedaan. Deze gebeurtenissen hadden ook hun weerslag op de literatuur, en de muziek.

De eerste majeure gebeurtenis was de vestiging van de raffinaderij van de Shell waardoor Curaçao in 1915 abrupt veranderde van een agrarische in een industriële samenleving. Doordat ook het onderwijs werd overgenomen door de Fraters van Tilburg en de Zusters van Roosendaal werd Nederland, niet alleen in economisch oogpunt, maar ook in culturele zin het oriëntatiepunt.

De vestiging van de raffinaderij had ingrijpende gevolgen voor de tot dan toe agrarische samenleving. Zo waren, om maar een voorbeeld te noemen, "industrial skills" van een persoon belangrijker dan de afkomst. De planterskaste zag met lede ogen aan hoe de plattelandsbevolking het werk bij de industrie met zijn vaste inkomsten verkoos boven het werk op de plantage waar de oogst en dus ook de inkomsten steeds afhankelijk waren van weersomstandigheden. Met de komst van de raffinaderij werd de afhankelijkheidsrelatie zoals die tot uitdrukking kwam in het slavengedragspatroon doorbroken.

De sociologische breuk die in de Curaçaose samenleving optrad met de vestiging van de olieraffinaderij had zijn weerslag op de literatuur, in die zin dat het leidde tot non-conformistisch schrijfgedrag. Non-conformistische schrijvers als Tip Marugg (1923-2006) en Boeli van Leeuwen (1922-2007) schreven in literaire termen over toenmalige taboes als rassenrelaties, en het bovengenoemde heren- en slavengedragspatroon.

De vestiging van de raffinaderij op Curaçao betekende op muzikaal gebied dat een instroom plaatsvond van hoog opgeleide Shell employé’s die behoefte hadden aan klassieke muzieklessen voor hun kinderen. Bovendien kon onder deze Shell employé’s geworven worden voor musici voor het Curaçaosch Philharmonisch Orkest, waardoor dit orkest onder leiding van de bovengenoemde Rudolf Boskaljon kon floreren.

De tweede majeure gebeurtenis was de Tweede Wereldoorlog waardoor er een gedwongen breuk ontstond met Nederland. Afgesneden van het moederland, ging Curaçao op zoek naar zijn eigen wortels. In 1944 debuteerde de Curaçaose dichter Pierre Lauffer (1920-1981) met de gedichtenbundel “Patria”. Deze bundel was in tweeërlei opzichten opmerkelijk. In de eerste plaats was de bundel geschreven in het Papiaments terwijl het tot dan gangbaar was dat gedichtenbundels geschreven werden in het Spaans. Het tweede facet wat deze bundel zo interessant maakt is zijn nationalistische toon. Het was een ode aan het geboorte-eiland van de Curaçaose dichter.

Op muzikaal terrein vond een vergelijkbare nationalistische beweging plaats. In hetzelfde jaar dat “Patria” gepubliceerd werd, vond een legendarisch concert plaats door het Curaçaosch Philharmonisch Orkest waarbij uitsluitend concertstukken van Curaçaose componisten ten gehore werden gebracht. Het was het hervinden en herdefiniëren van de eigen identiteit.

Uitgevoerd werden: “Fantasie” van J.G. Palm; “Trianon”, Chaconne van Charles Maduro; “Le meilleur moment des Amours” van J.S. Corsen; “Pourquoi vivre de souvenirs” van Jules F. Blasini; “Prelude tot een feest” van Ch. J. H. Engels; “Elly”-concertwals van Rudolf Palm; “Symphonie Curaçao” van Rudolf Boskaljon en de “Curaçaose Dans Suite”, eveneens van Rudolf Boskaljon, maar geïnspireerd op een mazurka van Jacobo Palm.

De derde majeure gebeurtenis is de sociale opstand op Dertig Mei 1969. Ook deze gebeurtenis liet zijn sporen achter met sociaal geëngageerde literatuur. Er ontstond een stroom van maatschappelijke geëngageerde schrijvers, zoals Frank Martinus Arion (1936-).

Ter illustratie van deze opmerkelijke literaire en muzikale bloei van Curaçao in de twintigste eeuw zullen in dit essay in vogelvlucht drie romanschrijvers (namelijk Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion), drie dichters (Pierre Lauffer, Elis Juliana en Luis Daal) en drie musici (Jacobo Palm, Albert Palm en Rudolf Boskaljon) de revue passeren.

Dit essay gaat over de bloei die vooral op muzikaal en literair terrein plaats vond. Ik hoop dat dit essay anderen zal inspireren om te schrijven over de culturele bloei die er eventueel op de andere Antilliaanse eilanden of Aruba dan wel op andere culturele terreinen op Curaçao, zoals architectuur en beeldende kunst, plaats vond.

Overigens is het zeer wel mogelijk dat de culturele bloei zich in Willemstad beperkte tot deze twee terreinen, namelijk muziek en literatuur. Immers elke culturele stad heeft zijn eigen cultureel terrein waar het in uitblinkt. Bijvoorbeeld Parijs: schilderkunst; Los Angeles: filmindustrie en Wenen: klassieke muziek.


I. DE BLOEI VAN DE CURAÇAOSE LITERATUUR IN DE TWINTIGSTE EEUW.

I.1 Drie Curaçaose romanschrijvers: Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion.

I.1.1 Boeli van Leeuwen.

Boeli van Leeuwen (schrijversnaam van dr. W.C.J. van Leeuwen) is op 10 oktober 1922 op Curaçao geboren, en op 28 november 2007 overleden. Zijn vader was districtmeester op het platteland van Curaçao, en het gezin woonde in landhuis Rust. De jongensjaren van Boeli van Leeuwen op het platteland waren van beslissende invloed op zijn oeuvre.

Hoofdfiguren in het werk van Boeli van Leeuwen zijn veelal afstammelingen van Curaçaose planters die gestold in het verleden van de negentiende eeuw, hun weg niet meer kunnen vinden in de geïndustrialiseerde samenleving waar zoals eerder gesteld “industrial skills” zwaarder tellen voor het verkrijgen van een baan dan afstamming. Het is geen wonder dat de genealogie van de hoofdpersonen in Van Leeuwen’s werk van uiterste importantie is. De telgen uit de oude plantersfamilies ontlenen alleen aan afstamming hun waardigheid.

Elke onzekerheid over afstamming zoals bijvoorbeeld over de vraag of de officiële vader ook de biologische vader is, wordt bij deze personages een regelrecht drama. Als bijvoorbeeld in de met de Vijverbergprijs bekroonde roman "De Rots der struikeling" de hoofdpersoon Eddy Lejeune bevangen wordt door twijfel over zijn afkomst, dan spreekt zijn reactie voor zich: "Het merg in been leek te bevriezen en het bloed stolde in mijn aderen".

Een ander fraai voorbeeld is Kai Medema, de hoofdfiguur in "Een vreemdeling op aarde". Als hij getuige is van het overspel van zijn moeder raakt hij totaal in verwarring: "De hemel werd paars en toen zwart. Hij sloot zijn ogen en viel omlaag: naar de aarde en uit het Paradijs".

Naast afkomst heeft religie altijd een belangrijke rol gespeeld in het leven en literaire werk van Boeli van Leeuwen. Typerend voor hem is het volgend voorval. Als jonge dichter ging ik in 1977 eens op bezoek bij Boeli van Leeuwen. Hij was indertijd secretaris van het eilandgebied Curaçao en wij hadden bij hem op kantoor afgesproken. Toen ik met enige schroom zijn kamer betrad, zat de eilandsecretaris in een imposant fauteuil. Tot mijn verbazing lagen er op zijn bureau geen ambtelijke stukken, maar prijkte er wel een lijvig boek van de Nijmeegse theoloog Schillebeeckx!

Interessant is bij Boeli van Leeuwen de relatie tussen geloof en samenleving, en dan meer in het bijzonder de rol van de priester in dit geheel. In “De eerste Adam” uit 1963 is de hoofdrol weggelegd voor “Pater Edouard Joseph Marie Bodin de la Rochelle, lid van de Sociëteit van Jezus”. Deze priester is een hooggeleerd heerschap, een onhandige, wereldvreemde figuur die door niemand begrepen wordt. Het boek eindigt dat pater Bodin getuige is van een dodelijke steekpartij in een krottenwijk. Na dit drama blijft Pater Bodin “zijn soutane rood van bloed, zijn schoenen bedekt met kerosinebraaksel” versuft op de grond zitten.

Eindigt “De eerste Adam” met een totaal gedesoriënteerde Pater Bodin in een krottenwijk, in "Schilden van leem" uit 1985 woont de geestelijke Jacob Cleveringa met maatschappelijk verworpenen: een prostituee uit een bevriende Caribische republiek, een gestoorde neger met een ijsmuts en een Canadese piloot met vliegangst. De geestelijke Jacob Cleveringa heeft zich met andere woorden niet afgewend van de armoede zoals Pater Bodin, maar leeft er middenin.

Een soortgelijke ontwikkeling is ook te zien in het literaire oeuvre van Graham Greene. Vergelijk maar de keiharde confrontatie tussen een priester en een communistische politiefunctionaris in “The Power and the Glory” uit 1940 met de verzoening van het katholicisme en het communisme in “Monsignor Quixote” uit 1982 waarin de hoofdpersoon Quixote, opnieuw een priester, verzucht “Perhaps a true Communist is a sort of priest”. Opvallend is overigens wel dat terwijl Graham Greene zich in 1926 op tweeëntwintigjarige leeftijd bekeerde tot het Katholicisme, Boeli van Leeuwen steeds protestant is gebleven.

In het latere werk van Boeli van Leeuwen gaat onder invloed van de Colombiaanse Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez, het magisch realistisch element een steeds belangrijkere rol spelen. Zo eindigt "Schilden van leem" met de apocalyptische verschijning van Marsmannetjes. In de daarop volgende roman “Het teken van Jona” bereikt het magisch realisme een hoogtepunt. Als in een schilderij van de surrealistische schilder Salvador Dalí versmelt de realiteit tot een bizarre droom, een gruwelijke nachtmerrie.

Naast romans heeft Boeli van Leeuwen verhalen en columns gepubliceerd. De verhalenbundel “De ruïne van een kathedraal” bevat twaalf reisverhalen. De verhalenbundel “De taal van de aarde” bevat vijf “spirituele verhalen”. Een ervan is een ode aan Gabriel García Márquez, maar het langste verhaal is gereserveerd voor “De Man van Nazareth” en het is opgedragen aan de Nijmeegse theoloog Schillebeeckx.

De columns die Boeli van Leeuwen in de periode 1988/1989 heeft gepubliceerd in de Curaçaose Courant, zijn gebundeld in “Geniale Anarchie”. Vooral dit boekwerk dat ondermeer gaat over een overheid die “permanent naar de bliksem gaat” is zeer in de smaak gevallen bij het lezerspubliek.

In 1983 kreeg Boeli van Leeuwen de Cola Debrot-prijs voor literatuur. Vlak voor zijn dood, ontving hij op 10 oktober 2007, op zijn 85-ste verjaardag, van het Fonds voor de Letteren, een prijs voor zijn gehele oeuvre. Verslag van dit eerbetoon is te vinden in “Met liefde behandelen; Hommage aan Boeli” (Uitgeverij in de Knipscheer; ISBN 9789062655960).


I.1.2 Tip Marugg.

Tip Marugg (schrijversnaam van S.A. Marugg) is op 16 december 1923 op Curaçao geboren en op zaterdag 22 april 2006 overleden.

Hij debuteerde in december 1945 als dichter in het door Chris Engels opgerichte en geredigeerde tijdschrift “De Stoep”.

Tip Marugg, leidde naar verluidt, een teruggetrokken bestaan. Het kluizenaarsbestaan van de auteur wordt weerspiegeld in zijn werk: de hoofdfiguren in zijn oeuvre zijn altijd eenzaam, leven 's nachts en zijn vaak aan de drank. De gedachte om zelfmoord te plegen cirkelt steeds als een aasgier boven hun treurige hoofden.
De "gespleten samenleving" leidt in het werk van deze Curaçaose auteur tot blanke hoofdfiguren die volstrekt geïsoleerd leven in een overwegend door negers bevolkt eiland.

In Marugg's bekende debuutroman "Weekendpelgrimage" doolt de hoofdfiguur beneveld door alcohol en verstrikt in eenzaamheid, doelloos rond over het eiland. Het is zaterdagavond en de wanhopige hoofdfiguur overweegt zelfmoord door zich met zijn auto van het eiland in zee te storten maar op het laatste moment ziet hij daarvan af. Een dokter, met wie de verteller in het begin van de avond gepraat heeft, zegt tegen een onbekende: "Onze jonge vriend gaat zich van kant maken. Hij loopt reeds lange tijd rond met vele raadsels in zijn borst, maar nu is hij, vrij plotseling overigens, tot het besef gekomen dat zijn diepste vrees geen persoonlijke vrees is, maar de vrees van een groep, de vrees van een eiland". De hoofdfiguur bevindt zich figuurlijk gesproken zelf op een eiland, totaal geïsoleerd van de rest. "Dit is een negereiland, hoe je het ook bekijkt" en de blanke hoofdfiguur is op dit negereiland een "outsider". Drank en zelfmoord zijn de enige ontsnappingsmogelijkheden.

Zelfmoord overheerst ook in de roman "In de straten van Tepalka", die overigens eerst als gedichtenbundel is verschenen. De ik-verteller bevindt zich in een ziekenhuis. Fantasieën en dagdromen doorweven de werkelijkheid, zodat ze onontwarbaar worden. Het enige dat vaststaat is dat de hoofdfiguur wacht op de dood als een verlossing, en zijn stervensproces waar mogelijk zal bespoedigen.

Zijn andere bekende roman is: "De morgen loeit weer aan". Deze roman was genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en is in 1989 bekroond met de Cola Debrot-prijs. “De morgen loeit weer aan” is net als “In de straten van Tepalka” eerst als gedichtenbundel verschenen. In deze roman bevindt de hoofdfiguur zich in het gezelschap van Koning Alcohol en vier buitengewoon woeste honden die elkaar niet verdragen. Een pistool is binnen handbereik om op elk gewenst moment de hand aan zichzelf te kunnen slaan. Het is nacht en "als de morgen aanloeit" vliegen "in het ochtendblauw" enkele vogels te pletter tegen een bergwand. De dood als enige doeltreffende remedie tegen eenzaamheid en de angst voor de naderende dag. In het apocalyptische slot van het boek wordt het eiland en heel Zuid-Amerika door Gods hand vernietigd. God heeft zijn geduld verloren en maakt een definitief einde aan de toestand van onrechtvaardigheid en wreedheid. Water, wind en aardbevingen vagen mens en dier weg. "Eens zal daaruit wellicht een nieuw continent ontstaan".

In de werken van Tip Marugg is de nacht de enig leefbare tijd. Alleen 's nachts vervalt de kleurbarrière die overdag zo klemmend en dominant aanwezig is. In "De morgen loeit weer aan" buigt de nacht zich als een "heilige Caribische moeder" over de hoofdfiguur. Het is alsof de meedogenloos felle tropenzon niet alleen de dag onleefbaar heet maakt, maar erger nog, schril de werkelijkheid van het eenzame bestaan blootlegt.

De vrouw kan de eenzaamheid niet opheffen. De contacten van de hoofdfiguur met vrouwen zijn oppervlakkig en vluchtig, zoals Conchita in "De straten van Tepalka". De fles is voor de hoofdfiguur de beste vriend. Zo er al contacten bestaan met vrouwen dan gaat de voorkeur uit naar gekleurde vrouwen, zoals Irma-Luz in “De morgen loeit weer aan”: "een vrouw met een zachte, mispelbruine huid”. De hoofdfiguur, die blank is, probeert zijn isolement te doorbreken door aansluiting te zoeken bij het gekleurde bevolkingsdeel. Of anders gezegd, de hoofdfiguren in het werk van Tip Marugg torsen de loodzware last van drie eeuwen gesegmenteerd samenleven en betalen de prijs die daarvoor staat namelijk eenzaamheid.

Op 29 januari 2009 zijn verschenen "Tip Marugg: De hemel is van korte duur. Verzameld Werk 1945-1995. Samengesteld door Aart G. Broek en Wim Rutgers" en "Petra Possel: Niemand is een eiland. Het leven van Tip Marugg in gesprekken". In dit laatste werk wordt (op pagina 113) onthuld dat de hoofdpersoon in "De morgen loeit weer aan" in de eerste versie van deze roman zelfmoord pleegt. Wat dus in de eindversie eruit is gehaald, en vervangen door een apocalyptisch slot.


I.1.3 Frank Martinus Arion.

Frank Martinus Arion (schrijversnaam van dr. F.E. Martinus) is op 17 december 1936 op Curaçao geboren. Is bij Boeli van Leeuwen de vrouw vooral moeder en schakel in de genealogische opvolging, en is zij bij Tip Marugg de enige brug van de blanke naar de gekleurde bevolking, bij Frank Martinus Arion staat de vrouw symbool voor emancipatie.

De bekendste roman van Frank Martinus Arion is “Dubbelspel”, die in 1973 is verschenen. "Dubbelspel" speelt zich af op Curaçao en gaat ogenschijnlijk over een dominospel tussen vier personen: Chamon Nicolaas (huisjesmelker en afkomstig van een ander Antilliaans eiland Saba) en Janchi Pau (scharrelaar) spelen tegen Boeboe Fiel (taxichauffeur van beroep) en Manchi Sanantonio (deurwaarder). Het is een dubbelspel want Chamon heeft een relatie met Boeboe's vrouw Nora en Janchi heeft een oog op Manchi's vrouw Solema. Het dominospel eindigt in een nederlaag voor Boeboe en Manchi. Een dubbele nederlaag zoals dat hoort bij een dubbelspel: Boeboe ontdekt de heimelijke relatie van zijn vrouw en komt in een handgemeen met Chamon om het leven, en Manchi pleegt zelfmoord als Solema hem verlaat voor Janchi Pau.

"Dubbelspel" is in de persoon van Nora een scherpe beschrijving van de sociale realiteit op Curaçao. Nora heeft steeds een acuut tekort aan liquide middelen. Haar relatie met Chamon gebruikt ze om aan extra inkomsten te komen. Zo kan haar zoon niet naar school omdat ze geen geld heeft om nieuwe schoenen voor hem te kopen. Als zij eindelijk het geld bij elkaar heeft om die uitgave te doen, duikt er plotseling een sociale verplichting op: zij moet drank kopen voor de mensen die bij haar thuis naar het dominospel komen kijken. Personifieert Nora de sociale realiteit, Solema staat model voor de politieke ideeën van de auteur en vertolkt de politieke boodschap van "Dubbelspel". Zij verklaart zich een voorstander van een maatschappij op coöperatief socialistische grondslag.

In Nederland werd ter gelegenheid van de landelijke leesbevorderingsactie "Nederland Leest" tussen 20 oktober 2006 en 17 november 2006 "Dubbelspel" gratis verstrekt aan leden van openbare bibliotheken. In 2011 is onder de titel "Changá" een Papiamentstalige vertaling verschenen van "Dubbelspel". De uitstekende Papiamentstalige vertaling werd verzorgd door Lucille Berry-Haseth.

In de daaropvolgende roman van Frank Martinus Arion, namelijk "Afscheid van de Koningin", wordt de politieke boodschap van “Dubbelspel” uitgevoerd en dit keer opnieuw door een vrouw. Ene mevrouw Prior brengt in Songo de politieke boodschap van "Dubbelspel" in de praktijk en laat de bevolking zien wat met coöperaties bereikt kan worden. Dat leidt tot politieke spanningen in dat land en zij pleegt een geslaagde aanslag op de president van dat land.

In de roman "Nobele Wilden" die in 1979 verschijnt, plaatst Frank Martinus Arion de politieke boodschap van "Dubbelspel" in het politieke kader van de Meirevolutie van 1968 in Parijs om die tenslotte te verbreden. Het boek verhaalt de lotgevallen van Julien Bizet Constant uit Martinique, die de gebeurtenissen in 1968 in Parijs op intense wijze beleeft en op een bepaald moment naar Lourdes vertrekt om daar als vrijwilliger zieken te vervoeren. In Lourdes wordt hij sterk beïnvloed door pater Père Maure, door de gestoorde dichter Peyre Cardenal II en door de communistische kroegbaas Joseph Varin. Het boek besluit met de conclusie dat Lourdes vanwege de daar aanwezige menselijke solidariteit model zou moeten staan voor de wereld. De politieke boodschap van "Dubbelspel" van een maatschappij op coöperatief socialistische grondslag wordt in "Nobele Wilden" verbreed tot het algemene verbroederingsprincipe dat terug te vinden is in alle grote godsdiensten.

Beklimmen Père Maure en Julien in “Nobele Wilden” de top van de Beout, in de roman “De laatste vrijheid” die zestien jaar na “Nobele Wilden” in 1995 verschijnt, staat opnieuw een berg centraal. Tegen de achtergrond van een smeulende vulkaan op het denkbeeldige Caribische eiland Amber is er een sluimerende verhouding tussen de op Curaçao geboren Daryll Guenepou en de CIN-journaliste Joan Mikolai. De vulkaan komt tot een uitbarsting, en ook de verhouding tussen Daryll en Joan die eerst onderhuids was, komt tot bloei.

De titel van de roman verwijst naar de keuze van de mens om nee te zeggen, de laatste vrijheid. Ondanks de dreigende vulkaanuitbarsting weigert Daryll om het eiland te verlaten. Met verve verdedigt hij op CIN zijn besluit om niet te evacueren: “We kunnen sterven door bij de vulkaan te blijven. Maar we sterven zeker als we bij hem weggaan”. Het verleidelijke Amber is voor Daryll het “paradijs” op aarde. Een paradijs dat hij gevonden heeft nadat hij jarenlang revoluties achterna heeft gereisd. Hij was in Suriname ten tijde van de onafhankelijkheid, hij was op Cuba en hij was op Grenada ten tijde van Maurice Bishop.

Ook Daryll’s vrouw Aideline maakt een keuze. Zij weigert om huisvrouw te zijn, en zij kiest voor een muzikale carrière in Amsterdam. In Amsterdam schrijft zij een compositie over seksuele en muzikale vrijheid. Daryll Guenepou maakt ook een andere keuze. Hij doorbreekt het “macho”-patroon en zorgt als een echte moeder voor de kinderen van hem en van Aideline. In tegenstelling tot Aideline voelt Joan zich wel aangetrokken tot het moederschap en het huiselijke bestaan, en zij valt als een blok voor Daryll.

Vijf jaar na de verhalenbundel “De eeuwige hond” verschijnt in 2006 de vijfde roman van Frank Martinus Arion, getiteld “De deserteurs”. Net als in “Dubbelspel” spelen in deze roman vier mannen een hoofdrol. Het kwartet is multicultureel van samenstelling: Mohammed Sundiata is een islamitische prins uit Mali die de slavernij is ontvlucht, Ho Ping Wang is een Boeddhistische Chinese student, John Trotman is een halfbloedzoon van een Caribische slavin en Timothy Blincker is een blanke quakerszoon. Net als in de roman “De laatste vrijheid” is vrijheid het onderwerp van deze historische roman die zich afspeelt tegen de achtergrond van de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd van 1776 tot 1780. Het centrale thema is de Onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776, waarin mooie woorden gewijd worden aan gelijkheid en vrijheid, maar de afschaffing van de slavernij blijft in deze verklaring buiten beschouwing. Zolang het Congres van de Onafhankelijke Staten zich niet ondubbelzinnig uitspreekt tegen de slavernij, weigert tegen dit viertal daarom om de strijd aan te gaan tegen de Engelsen. Zij worden echter ontvoerd door de radicaal-patriottistische “Zonen van de Vrijheid” en gedwongen om te vechten tegen de Engelsen, maar ze weten te deserteren, en al discussiërend wordt net als in “Nobele Wilden”een ideaal samenlevingsbeeld geconstrueerd dat gebaseerd is op de grote wereldgodsdiensten.

In 2009 verscheen zijn essaybundel "Intimiteiten van het schrijven" met essays over literatuur en de taal, en de betekenis hiervan voor zijn schrijfproces.

Frank Martinus Arion heeft in 1974 de Van der Hoogt-prijs ontvangen voor zijn roman “Dubbelspel”. Zeven-en-twintig jaar later, namelijk in 2001, kreeg hij de Cola Debrot-prijs voor zijn gehele oeuvre.



I.2 Drie Curaçaose dichters: Pierre Lauffer, Elis Juliana en Luis Daal.

I.2.1 Pierre Lauffer.

Pierre Antoine Lauffer is op 22 augustus 1920 op Curaçao geboren en hij is op 14 juni 1981 op zijn geboorte-eiland overleden.

Het bevorderen van het Papiaments was het leitmotiv in het leven van Pierre Lauffer. Na Dertig Mei werd hem gevraagd om het Papiaments te onderwijzen op de middelbare school en op de Pedagogische Academie. In 1970, een jaar na Dertig Mei 1969, mocht hij als vijftigjarige les geven in zijn geliefde moedertaal.

Hij zou in zijn leven drie gedichtenbundels publiceren. Naast het eerder genoemde “Patria” (1944) publiceerde hij in 1955 “Kumbu” en in 1964 “Kantika pa Bientu”.

Daarnaast publiceerde hij in zijn verhalenbundels “Napa” (in 1961), “Raspá” (1962) en “Lagrima i sonrisa” (1973) ook gedichten. Na 1970 als hij het Papiaments mag onderwijzen, verschijnt van zijn hand vooral jeugdlectuur (“Djogodó” in 1972; “Un dia tabatin…” in 1975; “Mi buki di bestia” in 1981, postuum; “Un skèr ta bai keiru” 1984, postuum), publicaties over taalkunde (“Mi lenga” I 1970, II 1971; “Un selekshon di palabra i ekspreshon” I 1971, II 1975; “Arte di palabra”, 1973) en ander meer onderwijskundig getint werk (“Di nos” bloemlezing papiamentu letterkunde 1971; “Sukuchi” 1974; “Mangasina” 1974; “Zumbi, spiritu almasola” 1975; “Mangusá” 1975).

Een paar jaar voor zijn dood publiceerde hij in 1979 acht gedichten in het blad “Kristòf” (V,1). Deze gedichten worden beschouwd als zijn afscheidsgroet. Hij is in deze gedichten de tweemaster die nog één keer laat zien “ku ki poko bientu nos por nabega” oftewel “met hoe weinig wind we kunnen zeilen”.

Belangrijke themata in het werk van Pierre Lauffer zijn: de natuurschoon van zijn kurkdroog geboorte-eiland, zijn moedertaal het Papiaments en … het slavenverleden.

Hij schreef eens de volgende regel: “Mi ta stima e puña di mi ruman melankolia” oftewel (vrij vertaald) “Ik hou van de schimpscheut van mijn broeder Melancholie”. Vooral zijn gedichten in zijn derde gedichtenbundel “Kantika pa bientu” waar deze versregel aan ontleend is, zijn zwaarmoedig van aard.

Pierre Lauffer woonde bij mij in de buurt. Op zondagochtend gingen we vooral in de Vastentijd samen vliegers oplaten, en raakten wij aan de praat. Hij kon mij fascinerende verhalen vertellen uit de slaventijd.

Een van zijn mooiste gedichten gaat over slavernij. Het gedicht heet “Balada di Buchi Fil” en het is in 1955 verschenen in de bundel “Kantika pa Bientu”. Het gedicht gaat over een trotse slaaf die bij het ochtendappèl weigert te buigen voor zijn meester. De meester zint op wraak, zoekt een goed moment om Buchi Fil een afranseling te geven, maar is bevreesd voor de fysieke kracht van de slaaf. In het gedicht wordt de slaaf tenslotte vermurwd als zijn vrouw verkocht wordt.

Met dit gedicht was Pierre Lauffer zijn tijd ver vooruit, want op school hoorde je in de jaren vijftig en zestig amper wat over slavernij, maar het leefde wel degelijk. Een van onze buren, Pascual Ridderplaat had het monument ontworpen dat op 1 juli 1963, honderd jaar na de afschaffing van de slavernij werd onthuld. De zoon van Pascual Ridderplaat, namelijk Ced Ride, heeft “Balada di Buchi Fil” later prachtig op muziek gezet. In die muzikale vertolking van “Balada di Buchi Fil” komen drie mensen samen uit de buurt waarin ik ben opgegroeid: Pascual Ridderplaat, zijn zoon Ced Ride, en Pierre Lauffer.

Pierre Lauffer kreeg pas vrij laat erkenning. In 1969, 25 jaar dus na zijn gedichtenbundel “Patria”, kreeg hij de Cola Debrot-prijs voor literatuur. Verbitterd merkte hij eens op dat hij zich voelt als een schipbreukeling die de oceaan zwemmend heeft overgestoken en in zicht van de kade een reddingsboei krijgt toegeworpen.

 

I.2.2 Elis Juliana.

Elis Juliana is op 8 augustus 1927 op Curaçao geboren.

Naast schrijver is Elis Juliana ook beeldend kunstenaar. Hij is actief als beeldhouwer, schilder en vooral miniaturist. Hij werkte nauw samen met Paul Brenneker bij het optekenen van mondelinge overleveringen, gebruiken uit het verdwijnende verleden

Met de publicatie van zijn eerste gedichtenbundel “Flor di datu” in 1956 verwierf hij zich bekendheid en werd hij een geliefde volksdichter met een eigen radioprogramma. Met veelvuldige optredens in het kinderprogramma van TeleCuracao legde hij een solide basis voor zijn populariteit als dichter. Was hij in het eerste deel van zijn oeuvre vooral grappig, in het tweede deel van zijn literaire carrière die begon met de “Opi”-serie (I: 1979; II: 1980; III: 1983; IV: 1988) is hij maatschappijkritisch met een ironische ondertoon.

Naast het eerder genoemde “Flor di datu” en de “Opi”-serie publiceerde hij nog drie gedichtenbundels, namelijk “Dama di anochi” (1959), “Canta clara” (z.j) en “Kolokólo di mi wea” (1977).

Waar Pierre Lauffer zwaarmoedig is, is Elis Juliana lichtvoetig. Oftewel met andere woorden, waar de ruwe en rauwe realiteit van een kurkdroog eiland met een slavenverleden Pierre Lauffer in tranen doet uitbarsten, schatert Elis Juliana van het lachen. Humor is leidraad in de gedichten van Elis Juliana. Hij is hiermede een perfecte tegenpool van Pierre Lauffer die vaak zwaarmoedige gedichten schrijft. Bij Elis Juliana is het de humor die de realiteit draaglijk maakt.

In 1977 werd hem de Cola Debrot-prijs toegekend voor zijn literaire werk. Eerder was hem deze prijs in 1973 uitgereikt voor de beeldende kunst.

 

I.2.3 Luis Daal.

Luis Daal is op 5 oktober 1919 op Curaçao geboren en op 14 april 1997 in Den Haag overleden.

Luis Daal is zijn carrière begonnen als journalist. Van 1947 tot 1950 was Daal op Curaçao hoofdredacteur van het toen volledig in het Spaans verschijnende dagblad “La Prensa”. Na een conflict met zijn werkgever vertrok hij in 1950 naar Spanje waar hij achttien jaar zou wonen. Van 1962 tot 1968 was hij verbonden aan de Universiteit van Madrid waar hij colleges gaf in Neerlandistiek. In 1968 vestigde hij zich in Nederland. Van 1975 tot en met 1984 was hij hoofd van de afdeling Culturele Zaken van het kabinet van de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen

Luis Daal was een groot strijder voor het Papiaments. Juist in de periode vóór Dertig Mei toen het Nederlands dominant was op zijn geboorte-eiland brak hij een lans voor het gebruik van het Papiaments. Na Dertig Mei beijverde hij zich voor het correct gebruik van het Papiaments door ondermeer cursussen te geven aan journalisten van Papiamentstalige bladen.

In Spanje publiceerde hij “Palabras Intimas” (in 1951) en “Estampas Españolas” (in 1952). In het Papiaments publiceerde hij vier gedichtenbundels, namelijk “Kosecha di maloa” (1963), “Ku awa na wowo” (1971), “Sinfonia di speransa” (1975) en “Plenitut…un soño su spiritu” (1995).

“Kosecha di maloa” schreef hij in 1960/1961 toen hij na een jarenlange afwezigheid enkele maanden op zijn geboorte-eiland vertoefde. De bundel bestaat uit vier delen: Reís (Wortel), “Tronkón” (stam), “Blachi” (blad) en “Flor” (bloem).

Zijn magnum opus “Sinfonia di speransa” is doortrokken van de vier Aristotelische oerelementen, namelijk aarde, water, lucht en vuur. “Sinfonia di speransa” (“Symfonie van hoop”) bestaat naar analogie van een muzikale symfonie uit vijf delen, namelijk: Preludium, Adagio (“Mi so ku tera” vertaald “Ik alleen met aarde”), Allegro (“Mi so ku awa” vertaald “Ik alleen met water”), Scherzo (“Mi so ku bjentu” vertaald “Ik alleen met de wind”) en Finale (“Mi so ku lus” vertaald “Ik alleen met licht”.)

Gaat in “La Divina Commedia” van Dante Alighieri de dichter van de hel via de louteringsberg naar de hemel, in “Sinfonia di Speransa” begint de dichter bij de aarde, zuivert zich met water en neemt de wind hem mee naar hogere regionen waar hij tenslotte het licht ziet. Het is dus een spirituele reis van de dichter naar het licht.

De invloed van de Spaanse mysticus Teresa van Avila is duidelijk zichtbaar in “Sinfonia di Speransa”. Centraal in het gedachtegoed van deze Spaanse non staat de opgang van de ziel in vier stadia, namelijk meditatie, gebed, extase en trance/levitatie.

Als Pierre Lauffer de Koning is van de melancholie en Elis Juliana de Tsaar van de ironie, dan is Luis Daal, de Paus van de metafoor.

In 1984 kreeg Luis Daal de “Chapi di Plata” van de Fundashon Pierre Lauffer.


II. DE BLOEI VAN KLASSIEKE CURAÇAOSE MUZIEK IN DE TWINTIGSTE EEUW.

Drie Curaçaose musici: Jacobo Palm, Albert Palm en Rudolf Boskaljon.

II. 1 Jacobo Palm.

Jacobo Palm is op 28 november 1887 op Curaçao geboren en hij is op 1 juli 1982 op zijn geboorte-eiland overleden.
 
Hij kreeg zijn eerste muzikaal onderricht van zijn grootvader Jan Gerard Palm (1831-1906), de stamvader van de muzikale Palmdynastie.

Jacobo Palm was in de eerste plaats componist. In zijn composities klinkt duidelijk de invloed door van zijn favoriete componisten Frédéric Chopin en Franz Schubert. Zijn composities zijn juweeltjes van elegantie rijk gedecoreerd met fonkelende melodische parels.

Jacobo Palm stond bekend als de walsenkoning van Curaçao. Van zijn 66 composities die opgenomen zijn in de in 1980 verschenen “Obras Completas de Jacobo Palm”, 34 een wals.

Bekende walsen van Jacobo Palm zijn “Un recuerdo” (driedelige wals met introductie), “Doce de Mayo” (driedelige wals), “Primero de Octubre”(driedelige wals), “Adiós Querida” (tweedelige wals), “La tristeza de la soledad” (tweedelige wals) en ”Corazón en la mano” (tweedelige wals.)

Twee bekende mazurka’s van hem zijn “Morning Greetings” en “Que linda”. “Ecos del Alma” en “Inocencia” zijn twee van zijn prominente pasillo’s (dat zijn veredelde Curaçaose walsen waarop niet gedanst maar vooral naar geluisterd wordt.)

De composities van Jacobo Palm worden tot op heden uitgevoerd, zoals tijdens de “Palmiana-concerten” in de Fortkerk op Curaçao.

Naast componist was Jacobo Palm een meervoudige instrumentalist. Hij speelde piano, orgel, viool en fluit. In het Curaçaosch Philharmonisch Orkest was hij concertmeester.

Als uitvoerend musicus stond Jacobo Palm op internationaal niveau. Hij kende de wereldberoemde pianist Arhur Rubinstein persoonlijk en die kwam ook bij hem thuis. Hij had ook kritiek op de aanslag, het toucher van het pianospel van zijn vriend. Zijn aanslag zou te zwaar zijn, volgens mijn grootvader. Een anekdote wil ik u in dit verband niet onthouden. Mijn grootvader had de gewoonte om vanuit zijn tuin commentaar te roepen als iemand bij hem in de huiskamer piano speelde. Zo riep hij een keer vanuit de tuin naar degene die piano speelde dat die muziekpassage zachter gespeeld moest worden. Pas toen hij de woonkamer betrad bemerkte hij dat de fameuze pianist Arthur Rubinstein aan de piano zat!

Toen een Curaçaose student die in Nederland studeerde op bezoek kwam bij mijn grootvader en hem vol trots vertelde dat hij in Nederland een concert had bijgewoond van de Ricardo Odnoposoff wees mijn grootvader hem op een stoel in zijn huiskamer. Op die stoel had de beroemde violist bij mijn grootvader thuis gezeten!

Jacobo Palm was naast componist en uitvoerend musicus ook muziekpedagoog. Twee van zijn bekendste leerlingen zijn Wim Statius Muller (*1930) en Robert Rojer (*1939) die beiden zowel pianist als componist zijn.

In 1981 kreeg Jacobo Palm de Cola Debrot-prijs voor muziek.
 

II.2 Albert Palm.

Albert Palm is op 5 januari 1903 op Curaçao geboren, en hij is op 10 juli 1958 op zijn geboorte-eiland overleden.

Van zijn vader Rudolf Palm die een pupil was van Jan Gerard Palm, kreeg hij zijn eerste muzikale onderricht. Later nam hij cellolessen bij Paul de Lima.

Albert Palm was een multi-instrumentalist. In het “Curaçaosch Philharmonisch Orkest” speelde hij contrabas, en daarnaast was hij cellist bij het huisorkest van de Shell. Bovendien was hij organist voor de Joodse gemeente en pianist in het salonorkest van zijn vader.

Bij voorkeur componeerde hij makkelijk in het gehoor liggende tweedelige walsen, maar hij schreef ook driedelige walsen als “Griselda”, “Broeder John” en “Otrobanda”.

Zijn plotselinge muzikale ingevingen noteerde hij met wat er voor handen was. Zo zou hij de Shell waar hij werkzaam was, composities hebben geschreven op ponsblaadjes. Naar overlevering zou hij zijn bekende tweedelige wals “Para qué amar?” geschreven hebben op een servetje tijdens een banket in de vrijmetselaarsloge “Igualdad”.

Zijn populairste compositie was “Aura” wat ook wel het tweede volkslied van Curaçao wordt genoemd, omdat het zo ontelbaar vaak gespeeld wordt. “Aura” is een tweedelige wals dat opgedragen is aan Aura Ayibe.

Twee van zijn bekendste leerlingen, zijn de meervoudige tumba-koning Boy Dap en zijn zoon Nils Palm.

II.3 Rudolf Boskaljon.

Rudolf Boskaljon is op 28 maart 1887 op Curaçao geboren en hij is op 1 januari 1970 op zijn geboorte-eiland overleden.

Hij kreeg zijn muzikaal onderricht van zijn vader Johannes Petrus Boskaljon (1863-1936) die ook componist en dirigent was. Het gehele milieu van Rudolf Boskaljon was artistiek. Zijn vrouw Graciela Boskaljon-Ecker en zijn schoonzus Amelie Ecker waren ook componisten. Bekend van Graciela Boskaljon-Ecker is de prachtige wals "Madeline" (geschreven voor haar kleindochter Madeline Statius van Eps-Diaz). Zijn dochter Lucila Engels-Boskaljon (1920-1993) was een expressionistische schilder. Zij exposeerde in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Rudolf Boskaljon was in de eerste plaats dirigent. Op 12 januari 1912 richtte hij op 24-jarige leeftijd het eerste Curaçaosch Philharmonisch Orkest op. Dit orkest bleef vijf jaar bestaan. In 1939 richtte hij het tweede Curaçaosch Philharmonisch Orkest op en hij leidde 25 jaar dit orkest dat zijn levenswerk werd.

In zijn 25-jarig bestaan gaf het tweede Curaçaosch Philharmonisch Orkest ruim honderd concerten. Het repertoire bestond ondermeer uit Bach, Beethoven, Grieg, Mozart, Mendelsohn, Schubert en Schumann. Naast dit voor orkesten klassiek repertoire werden ook orkestwerken van Antilliaanse componisten uitgevoerd wat het Curaçaosch Philharmonisch Orkest bijzonder maakt.

Dat een dergelijk Philharmonisch Orkest tot stand kon komen was een huzarenstuk. Het inwonersaantal van het eiland Curaçao van indertijd amper 100.000 inwoners was en is te klein om een Philharmonisch orkest tot stand te brengen. Voor een Philharmonisch orkest heeft een stad minimaal enkele half miljoen inwoners nodig om genoeg musici, zowel in kwaliteit als in instrumentbeheersing, te kunnen rekruteren.

Op Curaçao werd dit probleem ondervangen doordat veel van de instrumentalisten veelzijdig waren kwam daarbij goed van pas. Als de partituur bijvoorbeeld voorzag in een harppassage en er was geen harpist op het eiland, dan leerde iemand zichzelf harp spelen. In muziekland was het een beetje Robinson Crusoë. Boskaljon speelde zélf diverse muziekinstrumenten. Hij beheerste zowel blaas- als strijkinstrumenten! Hij leerde zichzelf ondermeer cornet, fagot, klarinet, cello en contrabas spelen.

Het werk van dit Philharmonisch Orkest werd afgezien van de schaalgrootte, aanzienlijk bemoeilijkt omdat er géén muziekuitgeverijen op Curaçao waren in de eerste helft van de twintigste eeuw. In de negentiende eeuw had de van origine uit Spanje afkomstige Agustin Bethencourt in 1867 een boekhandel opgericht, welke onder de naam “Bethencourt e hijos” bekend werd. In 1868 breidde hij deze zaak uit met de handel in muziekstukken en muziekinstrumenten, terwijl in 1880 er tevens een drukkerij aan werd verbonden, waar ook muziek werd gedrukt. Begin twintigste eeuw hield de muziekdrukkerij op te bestaan. Dit lot was ook “Tipografia Excelsior Curaçao” beschoren waar diverse werken van Curaçaose componisten gedrukt werden, zoals “18 de febrero” van Jan Gerard Palm.

Rudolf Boskaljon onderving het probleem van het ontbreken van muziekuitgeverijen door partituren voor de concerten van het Curaçaosch Philharmonisch Orkest met de hand over te schrijven! Dat hij als gevolg van dit monnikenwerk de composities uitstekend memoriseerde, was mooi meegenomen.

In de tweede plaats was Rudolf Boskaljon componist. Hij componeerde symfonische werken waaronder de “Curaçao symfonie” met thematisch materiaal ontleend aan Curaçaose volkslieden, en de “Curaçaose Dans Suite” met een bewerking van de mazurka “Morning Greetings” van Jacobo Palm.

SLOT

Voor personen die zich verder willen verdiepen in de Curaçaose literatuur, en ik hoop dat dit essay daartoe uitnodigt, zijn de volgende naslagwerken aanbevelingswaardig.

Voor de drie romanschrijvers zijn dat "Drie Curacaosche Schrijvers in veelvoud: Boeli van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion" (Zutphen, Walburg Pers, 1991) onder redactie van Maritza Coomans-Eustatia, Wim Rutgers en Henny E. Coomans; “Beneden en boven de wind” van dr. Wim Rutgers die in 1996 is verschenen bij “De Bezige Bij” (ISBN 90 234 3530 3 CIP); "Antilliaans literair logboek" van B. Jos de Roo verschenen bij de Walburg Pers in 1980 en "Met eigen stem" door Pim Heuvel en Freek van Wel, verschenen in Assen/Maastricht bij Van Gorcum in 1989.

Specifiek voor Pierre Lauffer, Elis Juliana en Luis Daal is veel werk opgenomen in de in februari 1999 door de Fundashon Pierre Lauffer in Nederland gepresenteerde driedelige anthologie van de Papiamentstalige literatuur, getiteld “Pa saka kara” (deel 1: ISBN 99904-0-266-3; ISBN 99904-0-270-1; deel 2: ISBN 99904-0-267-1; 99904-0-271-X; deel 3: ISBN 99904-0-268-X; 99904-0-272-8). Nederlandse vertalingen van het werk van deze twee auteurs zijn te vinden in deel II van “De kleur van mijn eiland” (redactie Aart G. Broek, Sidney M. Joubert en Lucille Berry-Haseth; ISBN 9067182753; 2006, Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden).
Na ora oradu/ Te juister stonde” (ISBN 90 70086 131, Uitgeverij In de Knipscheer) bevat vertalingen van gedichten van Luis Daal door Fred de Haas.

Voor wat betreft de klassieke Curaçaose muziek kan verwezen worden naar drie uitgaven, namelijk: Boskaljon, “Honderd jaar muziekleven”; Edgar Palm: “Muziek en musici van de Nederlandse Antillen” en "Jan Gerard Palm; leven en werk van een muzikale patriarch op Curaçao" (ISBN 978 9067183338) van Johannes Halman en Robert Rojer.

Ik zou eenieder een bezoek aanbevelen aan de Collectie Antillana van de Haagse Bibliotheek waar veel van bovengenoemd werk ter inzage ligt.

Ook adviseer ik belangstellenden om de website http://www.caraibischeletteren.com/  te bezoeken waar veel informatie is te vinden over Nederlandstalige Caribische schrijvers.

In het voorafgaande heb ik een schets gegeven van de bloeiperiode van zowel de literatuur als de klassieke Curaçaose muziek de twintigste eeuw. Slechts weinig plaatsen die qua schaalgrootte vergelijkbaar zijn met Curaçao kunnen bogen op een dergelijke muzikale en literaire rijkdom. Laten wij deze prachtige erfenis dan ook in ere houden.

 

© Copyright Walter Palm

begin