De nacht
heeft stad en land
omvat in fluwelen,
naar jasmijn geurende,
met sterren besprenkelde
handschoen.
Zacht en goedmoedig
strekt de nacht
zich uit, gunt
mij al datgene
wat de dag mij ontzegt:
rust, dromen en koelte.
Amper geslonken de zon,
roept op de nacht
wit gezang van
nonnen van Roosendaal.
Serene en gestage
melodieën
uit Rome en Roosendaal,
bewieroken de nog maagdelijke
zwarte nacht.
En tijdens het Lof
bedank ik God
dat de helse rode hitte
is gaan liggen.
Als de nonnen
na het Lof,
gedrapeerd in hun gebeden
prevelend gaan slapen,
zeilt de avondmuziek
door de straten van Willemstad,
krijgt het de gedaante
van een Antilliaanse wals:
het weeë ritme
van serene, hemelse gezang
vervangen door de
sensuele syncope.
En naarmate de nacht
vordert,
dwaalt de avondmuziek
steeds verder af,
neemt het in de rosse buurt
de gedaante aan van
een vlammende tumba:
als uit een tuba
spuiten omhoog
zwarte klanken van
strakgespannen
drums, gretig likkend aan ronde maan,
dansend op zwoele, zwangere ritmes
uit Ghana en Guinee....
En Rome, Roosendaal,
Ghana, Guinee en
Curaçao
zijn takken
van één boom,
woorden
op één pagina,
vijf vingers
van één hand,
de fluwelen
handschoen van
de nacht.